Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3785

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
09-6573 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Zorgvuldig medisch onderzoek. Deugdelijke arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/6573 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 oktober 2009, 08/1337 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 mei 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is werkzaam geweest als hulpmonteur/grondwerker voor 38 uur per week. In 1994 heeft hij zich ziek gemeld voor zijn werk als gevolg van whiplashklachten na een auto-ongeval. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken is hem een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is na een herbeoordeling per 20 juni 2006 ingetrokken.

2.1. In 2007 heeft opnieuw een herbeoordeling plaatsgevonden ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit vóór 1 oktober 2004 luidde. Op basis van de bevindingen en conclusies van een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2007 vastgesteld dat appellant ook vanaf 22 februari 2007 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat per deze datum de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

2.2. Appellant heeft tegen het besluit van 20 december 2007 bezwaar gemaakt. Bezwaarverzekeringsarts E. Vastert heeft het dossier bestudeerd, informatie ingewonnen bij de behandelend internist B.L.S. Borger van der Burg en de behandelend reumatoloog C.J. Haagsma, de hoorzitting bijgewoond en eigen onderzoek verricht. De conclusie van Vastert luidde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 oktober 2007, zoals deze aan het besluit van 20 december 2007 ten grondslag was gelegd, op enkele onderdelen moest worden aangescherpt. Daartoe heeft hij de FML aangevuld met beperkingen voor buigen, frequent buigen en reiken tijdens het werk, torderen, hoofdbewegingen maken en klimmen, naast reeds aanvaarde beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen (onder meer buigen, torderen, duwen en trekken, tillen en het hanteren van zware lasten) en het innemen van statische houdingen (gebogen actief zijn en boven schouderhoogte actief zijn).

Daarna heeft bezwaararbeidsdeskundige H.N.M. van Rhee op grond van de aangepaste FML nieuwe functies geselecteerd: productiemedewerker industrie (samensteller) (111180), samensteller metaalwaren (264140) en assistent consultatiebureau (372091). Hij heeft berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid daarmee per 22 februari 2007 uitkomt in de klasse 35 tot 45%. Het Uwv heeft bij besluit van 18 november 2008 dienovereenkomstig beslist.

3.1. Appellant heeft tegen het besluit van 18 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Hij heeft lopende de beroepsprocedure gewezen op uitslagen van MRI-onderzoek uit juli 2009 - waarbij een hernia in de nek en een hernia onder in de rug is geconstateerd - en op een rapport van neuroloog J.G.M. Knibbeler van september 2009 waarin deze die uitslagen bespreekt.

3.2. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een rapport van Vastert. Hierin heeft deze vermeld dat hij vanuit medisch oogpunt geen verband ziet tussen de hernia’s en de klachten van appellant. Vastert heeft daarom geen aanleiding gezien de FML verder aan te passen, maar hij heeft wel opgemerkt dat de uitkomst van het MRI-onderzoek bevestigt dat geen sterke ‘cervicale retroflexie’ en ‘torsie’ mag plaatsvinden. Voorts heeft het Uwv een nader rapport van Van Rhee ingezonden. Hierin is vermeld dat in de door hem geselecteerde functies geen overschrijding van appellants mogelijkheden voorkomt, ook als rekening wordt gehouden met de opmerking van Vastert naar aanleiding van het MRI-onderzoek.

3.3. De rechtbank heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, waarbij zij heeft overwogen dat zij zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan verenigen.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij nog altijd het vermoeden heeft dat zijn rug- en nekklachten onvoldoende zijn meegewogen, aangezien ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de uitkomst van het MRI-onderzoek niet bekend was en toen door zijn artsen nog niet gediagnosticeerd kon worden waar zijn (toenemende) klachten vandaan kwamen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen. Bezwaarverzekeringsarts Vastert heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld en rekening gehouden met alle medische informatie die voorhanden was ten aanzien van de klachten van appellant. Pas tijdens de beroepsfase is duidelijk geworden dat twee hernia’s aanwezig waren, maar deze waren volgens neuroloog Knibbeler op dat moment medisch niet van betekenis, aangezien geen sprake was van wortelbeïnvloeding

(geen radiculair syndroom). Vastert heeft met deze informatie eveneens rekening gehouden, en gemotiveerd aangegeven waarom, ook als deze informatie eerder bekend was geweest, niet meer beperkingen zouden zijn aanvaard dan in de door hem aangepaste FML is vermeld. Nu er geen medische informatie is die aanleiding geeft om de - objectief medische - bevindingen van Knibbeler onjuist te achten, oordeelt de Raad dat er geen grond was voor het Uwv om verdergaande beperkingen aan te nemen, waarbij de Raad opmerkt dat door Vastert nadrukkelijk in beschouwing is genomen dat appellant zijn nek en rug niet te zwaar mag belasten en uit preventief oogpunt de nek niet achterover mag kantelen en de nek niet sterk kan draaien. Verder zijn naar het oordeel van de Raad, gelet op de uitkomst van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, voldoende functionele beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren in acht genomen.

5.2. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit acht de Raad eveneens voldoende deugdelijk. Door bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee zijn de signaleringen ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid adequaat toegelicht. De Raad komt, mede gelet op diens advisering, tot het oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies, uitgaande van de FML, in medisch opzicht op 22 februari 2007 voor hem geschikt konden worden geacht.

5.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK