Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
10-1182 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2008 de beroepsgronden van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 4 juni 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad, verwezen wordt naar de uitspraken van 1 maart 2005, LJN AT0711, en 13 januari 2009, LJN BH0865, van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de tweede procedure in beginsel niet opnieuw aan de orde kunnen komen. De Raad ziet geen grond om in het voorliggende geval van deze in vaste rechtspraak neergelegde lijn af te wijken. Dat bij de aangevallen uitspraak het besluit geheel is vernietigd, is daarbij niet van belang. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante niet gevolgd kan worden in haar stelling dat zij volledig arbeidsongeschikt is te achten van 17 juni 2007 tot 28 mei 2008. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 9 januari 2007 is de Raad van oordeel dat de voor appellante geduide functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1182 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2010, 08/2221 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. M. Amrani, advocaat, en [haar zoon]. Het Uwv is - met bericht vooraf - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2008, 07/1809 en de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingaande 16 november 2006 ingetrokken.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 4 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 september 2006 gegrond verklaard en bepaald dat de WAO-uitkering van appellante eerst met ingang van 17 juni 2007 wordt ingetrokken.

1.4. De rechtbank Amsterdam heeft bij - eerdergenoemde - uitspraak van 28 mei 2008 het door appellante tegen het besluit van 4 juni 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft bij die uitspraak overwogen dat de medische grondslag van het besluit van 4 juni 2007 juist is, maar dat het besluit vernietigd dient te worden omdat het op een onjuiste arbeidskundige grondslag berust. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, die vóór 1 juli 1959 is geboren, ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dat geldt per 1 oktober 2004. Op appellante is naar het oordeel van de rechtbank het Schattingsbesluit zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (hierna: oSB) van toepassing gebleven. De gehanteerde functieselectie voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van het oSB, waardoor de schatting geen stand kan houden. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

2. Bij besluit van 17 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 september 2006 wederom gegrond verklaard en bepaald dat haar WAO-uitkering ingaande 17 juni 2007 wordt ingetrokken. Blijkens het arbeidskundig rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, zijn bij een nadere functieselectie binnen de sbc-codes, die aan appellante waren voorgehouden bij brief van 16 april 2007, voldoende voor haar geschikte functies geduid om te voldoen aan het getalscriterium van het oSB. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft onveranderd minder dan 15%.

3.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Naar de mening van appellante had het Uwv haar medische situatie na de datum waarop de aangevallen uitspraak is gedaan, zijnde 28 mei 2008, moeten beoordelen en de geschiktheid van de aan haar voorgehouden functies in zoverre. Appellante is voorts van mening dat haar WAO-uitkering over de periode tussen de datum afschatting voor de WAO, 17 juni 2007, en de datum van die uitspraak doorbetaald had moet worden naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft erop gewezen dat de medische grondslag in rechte vast staat omdat appellante geen hoger beroep heeft aangetekend tegen de uitspraak van 28 mei 2008. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar stelling dat zij over de periode van 17 juni 2007 tot 28 mei 2008 als onveranderd arbeidsongeschikt aangemerkt dient te worden.

4. Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als zij in beroep heeft aangevoerd. Verder heeft appellante gesteld dat er voor haar geen aanleiding was hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van 28 mei 2008 omdat het beroep bij die uitspraak gegrond is verklaard. Appellante is voorts van mening dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld en de geduide functies niet berekend zijn voor haar belastbaarheid.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. De Raad overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2008 de beroepsgronden van appellante met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 4 juni 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad, verwezen wordt naar de uitspraken van 1 maart 2005, LJN AT0711, en 13 januari 2009, LJN BH0865, van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de tweede procedure in beginsel niet opnieuw aan de orde kunnen komen. De Raad ziet geen grond om in het voorliggende geval van deze in vaste rechtspraak neergelegde lijn af te wijken. Dat bij de aangevallen uitspraak het besluit geheel is vernietigd, is daarbij niet van belang.

5.1.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante niet gevolgd kan worden in haar stelling dat zij volledig arbeidsongeschikt is te achten van 17 juni 2007 tot 28 mei 2008. De Raad overweegt daartoe dat door vernietiging van het besluit van 4 juni 2007 bij uitspraak van 28 mei 2008 het besluit van 29 september 2006 herleeft, waarbij de WAO-uitkering van appellante ingaande 16 november 2006 is ingetrokken. Ingevolge de uitspraak van 28 mei 2008 moest opnieuw worden beslist op het bezwaar tegen dat besluit van 29 september 2006.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 9 januari 2007 is de Raad van oordeel dat de voor appellante geduide functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige B. van Eck van 22 maart 2007 en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen van 16 juni 2008. Hierin wordt een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen.

5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK