Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
09-5725 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De door de rechtbank benoemde deskundige wordt gevolgd. De Raad concludeert dat het geheel van beschikbare medische gegevens en rapporten onvoldoende aanleiding biedt om te oordelen dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen, dat de bestuursrechter het oordeel van een door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5725 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 september 2009, 08/594(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010. Namens appellante is verschenen als haar gemachtigde haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 19 maart 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 mei 2007 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 februari 2007, geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. In verband met het bezwaar is appellante op verzoek van bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke onderzocht door dr. L. Timmerman, psychiater. Timmerman heeft van zijn bevindingen op 15 januari 2008 verslag gedaan. Op grond van dit verslag heeft Fokke geconcludeerd dat de FML dient te worden onderschreven. Bij besluit van 6 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien N.J. de Mooij, psychiater, als deskundige te benoemen. De Mooij heeft bij rapport van 13 februari 2009 de rechtbank van advies gediend. De Mooij heeft aangegeven te kunnen instemmen met de FML van 1 februari 2007. Een urenbeperking acht hij niet geïndiceerd. Voorts acht De Mooij appellante in staat de geduide functies te kunnen vervullen.

2.2. De rechtbank heeft gewezen op de in de vaste rechtspraak van de Raad besloten liggende hoofdregel dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat van de hoofdregel af te wijken. Het rapport van De Mooij is zorgvuldig tot stand gekomen, is consistent en is naar behoren gemotiveerd. De Mooij heeft zowel de opvatting van de (bezwaar)verzekeringsarts als die van de behandelend sector van appellante in zijn beschouwing betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de voor appellante geldende medische beperkingen niet onjuist ingeschat en berust het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op het oordeel van De Mooij het Uwv het arbeidsvermogen van appellante niet onjuist heeft ingeschat en dat een bezwaararbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd dat appellante, ondanks de voor haar vastgestelde beperkingen, in staat kan worden geacht de geduide functies te vervullen.

3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat zij vanwege haar psychische klachten meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd. Zij kan zich niet verenigen met het oordeel van De Mooij.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Namens appellante is bij faxbericht van 18 juni 2010 verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting ten einde in de gelegenheid te worden gesteld een eigen psychiatrische expertise te laten verrichten. Bij brief van 21 juni 2010 heeft de Raad meegedeeld geen termen aanwezig te achten om het verzoek in te willigen. De Raad heeft die beslissing gehandhaafd en daartoe overwogen dat hij zich op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om tot een verantwoord oordeel te komen.

4.2. De van de zijde van appellante vlak voor aanvang van de zitting ingediende nadere stukken zal de Raad, gelet op het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, buiten beschouwing laten.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een voldoende medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Met de rechtbank moet de Raad concluderen dat het geheel van beschikbare medische gegevens en rapporten onvoldoende aanleiding biedt om te oordelen dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen, dat de bestuursrechter het oordeel van een door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Ook in hetgeen namens appellante ter zitting is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor de aanwezigheid van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt af te wijken van het oordeel van De Mooij.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, gelet op de in dit geding beschikbare arbeidskundige rapportages, evenals de rechtbank niet gebleken dat appellante de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen vervullen.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

`

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

EV