Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
10-521 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen zoals deze in de FML zijn opgenomen. Voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant als gevolg van de persoonlijkheidsstoornis. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/521 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 december 2009, 08/6216 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Namens appellant is verschenen [naam] echtgenote van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is begin jaren 90 uitgevallen wegens psychische klachten voor zijn werk als machineoperator (in ploegendienst). Met ingang van 2 december 1992 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. In 2008 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts P. van Muijen heeft op basis van eigen onderzoek een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Er zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Vervolgens heeft de verzekeringsarts een psychiatrische expertise laten verrichten door de psychiater J.J.D. Tilanus. Psychiater Tilanus heeft in zijn rapportage van 11 juni 2008 aangegeven dat de psychische draagkracht van appellant niet wordt verminderd door een psychiatrische syndroomformatie in het toestandbeeld, maar wel door bepaalde psychiatrische deviaties in de persoonlijkheidsstructuur. Appellant is aangewezen op een voorspelbare omgeving, waarin een niet al te grote flexibiliteit van hem wordt verwacht. Appellant is beperkt ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen, uiten van eigen gevoelens en met name ten aanzien van het omgaan met conflicten en samenwerken met anderen en appellant is in het algemeen minder goed in staat om op een gangbare manier contact aan te gaan en/of te onderhouden met bijvoorbeeld collega’s, veeleisende klanten of hulpbehoevenden. Psychiater Tilanus heeft gerapporteerd dat appellant is aangewezen op een situatie zonder leidinggevende aspecten voor hem en met een eventueel laagdrempelige toegankelijkheid tot een leidinggevende. De verzekeringsarts heeft vervolgens op 13 juni 2008 de FML aangepast, in die zin dat aan het item 2.12. (specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid) is toegevoegd dat appellant is aangewezen op werk waarin zo nodig kan worden teruggevallen op directe collega’s of leidinggevenden (geen solitaire functie). De bezwaarverzekeringsarts L. Greveling is na bestudering van het dossier akkoord gegaan met deze FML. De conclusies van Greveling zijn beschreven in een rapport van 17 september 2008.

Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 16 oktober 2009 gereageerd op de door appellant in beroep ingebrachte informatie van neuroloog R.J. de Graaf en van een neurologisch onderzoek van GZ-psycholoog I. Ritmeijer.

Op basis van deze uitkomsten is bij besluit van 17 juli 2008 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 september 2008 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

1.3. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 18 september 2008, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van circa 49%.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de beperkingen zoals deze in de FML zijn opgenomen. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat het onderzoek uitgevoerd door psychiater Tilanus onzorgvuldig is geweest of dat de rapportage van 11 juni 2008, van dat onderzoek op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het onderzoek op basis waarvan de verzekeringsartsen tot hun bevindingen zijn gekomen is door de rechtbank als voldoende zorgvuldig en volledig bestempeld, terwijl de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts naar behoren zijn gemotiveerd.

3.2. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de passendheid van de bij de schatting betrokken functies. Naar het oordeel van de rechtbank is door de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam uiteengezet waarom de belasting van die functies blijft binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ernstiger is beperkt dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en dat hij in het geheel niet beschikt over benutbare mogelijkheden. Naar de mening van appellant is een vervolgonderzoek nodig, verdeeld over meerdere dagen. Hij benadrukt dat hij erg teruggetrokken leeft en dat hij naast de al langer bekende psychische klachten ernstig depressief is. Appellant acht zich met zijn klachten in het geheel niet in staat werkzaamheden te verrichten. Voorts ondervindt hij hinder van zijn migraine, in die zin dat hij twee maal per maand een aanval heeft die drie dagen duurt met enige dagen uitloop. Hierdoor is hij zeker een derde van de maand nergens toe in staat.

5. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad acht het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig. De primaire arts heeft met de beperkingen van appellant als gevolg van de persoonlijkheidsstoornis rekening gehouden bij het opstellen van de FML van 13 juni 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van zijn eigen onderzoeksbevindingen geen aanleiding gezien om de door de primaire arts vastgestelde belastbaarheid te herzien. De Raad heeft, eveneens in navolging van de rechtbank, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellant hebben overschat. Naar het oordeel van de Raad liggen geen medische stukken voor die een voldoende objectiveerbare medische onderbouwing vormen voor de eigen opvatting van appellant dat hij per de datum in geding in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft dan wel anderszins verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de frequentie en de duur van de migraine aanvallen heeft het Uwv terecht opgemerkt dat voor zover uit de stukken -ondermeer de rapportage van psychiater Tilanus- is na te gaan, de migraine klachten van appellant niet zodanig zijn dat sprake is van een excessief verzuimrisico. Verder overweegt de Raad dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanknopingspunten ziet voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. De Raad verenigt zich eveneens met het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de juistheid van de voor hem in aanmerking genomen beperkingen, appellant per de datum in geding in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die behoren bij de bij de schatting betrokken functies.

6. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep.

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.L. de Gier.

RK