Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3601

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
10-651 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Onderkend is dat sprake is van secundaire gevolgen van slechthorendheid waaronder de tinnitus/fluittoon en aandachtsbelemmeringen. Geschiktheid van de geselecteerde functies is voldoende toegelicht. Niet gebleken dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/651 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 december 2009, 08/5574 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.G.J. de Haas, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Haas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen, die laatstelijk werd berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 1 juli 2008 is de uitkering ongewijzigd voortgezet.

1.2. Bij besluit van 13 november 2008 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden aangenomen dat geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van meer beperkingen dan tot uitdrukking zijn gebracht op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

3. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht. Op de FML is rekening gehouden met slechthorendheid en met de mogelijkheid dat het evenwichtsorgaan niet optimaal functioneert. Aangenomen is onder meer dat hoogtes dienen te worden vermeden, evenals gevaar opleverende of rijdende machines. Voorts is er rekening mee gehouden dat zeer langdurig intensief gebruik van de dominante linkerhand of intensieve bewegingen provocerend kunnen werken. Het standpunt van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met de ziekte van Ménière treft mitsdien geen doel.

4.2. De rechtbank heeft naar uit de aangevallen uitspraak volgt rekening gehouden met het medisch rapport van dr. A. Michna te Slowakije waarin is vermeld dat sprake is van de ziekte van Ménière, jicht en klikkende vingers. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat in dit rapport een herdefiniëring van de slechthorendheid en vestibulaire stoornissen wordt gegeven en dat de jicht en klikkende vingers bekend waren. Uit hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht is ook de Raad niet kunnen blijken van aanwijzingen om meer beperkingen aan te nemen.

4.3. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de in beroep overgelegde verklaring van dr. V. Fazekaš, waarin de diagnose ernstige perceptiestoornis (beiderzijds) is gesteld. De rechtbank heeft er met juistheid op gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts in een reactie heeft aangegeven dat deze verklaring geen nieuwe medische informatie oplevert en in verband met deze aandoening voldoende beperkingen zijn aangenomen. Onderkend is dat sprake is van secundaire gevolgen van slechthorendheid waaronder de tinnitus/fluittoon en aandachtsbelemmeringen. De in hoger beroep overgelegde in het Slowaaks opgestelde medische informatie van 15 juni 2010 van een medisch centrum in Slowakije en een in het Duits opgestelde verklaring van 15 juni 2010 van dr. O. Gajdoš waarin is vermeld dat appellant niet voltijds kan worden ingezet leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Dit reeds omdat deze informatie niet ziet op de datum in geding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is. De Raad ziet in de door appellant overgelegde gegevens en verklaringen - mede gelet op het commentaar daarop van de bezwaarverzekeringsarts - geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

4.4. Het betoog van appellant dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen aandacht is besteed aan de fluittoon die hij 24 uur per dag hoort en die op de zitting van rechtbank met behulp van een laptop is gedemonstreerd treft geen doel. De bezwaarverzekeringsarts heeft er terecht op gewezen dat niet in enig medisch rapport is komen vast te staan welke octaafband of welke geluidssterkte de (kennelijke) tinnitus heeft. De Raad is van oordeel dat het demonstreren van de fluittoon weliswaar de klachten en geclaimde beperkingen kan verhelderen, maar geen aanleiding geeft te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen.

4.5. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet heeft onderbouwd dat hij niet in staat zou zijn zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. De Raad ziet geen aanleiding het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en appellant te volgen in zijn stelling dat hij beperkt is voor het gebruikmaken van openbaar vervoer. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in zijn overweging dat deze stelling haaks staat op het feit dat appellant zelf autorijdt en dat bij het medisch onderzoek niet is gebleken dat - anders dan appellant stelt - appellant zich te allen tijde ergens aan moet kunnen vasthouden.

4.6. Ten aanzien van het door appellant overgelegde tijdschriftartikel over intratympanische toediening van gentamycine is de Raad met de bezwaarverzekeringsarts van opvatting dat niet valt in te zien wat dit met de situatie van appellant te maken heeft.

4.7. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de geschiktheid van de geselecteerde functies door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende is toegelicht. De Raad is niet gebleken dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) T.J. van der Torn.

EV