Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
09-4210 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet het Bericht Studiefinanciering 2007, nr.2, van 27 oktober 2006 niet uitsluitend op het recht op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding. Dit Bericht is een uitwerking van het besluit van gelijke datum waarbij het verzoek om verlenging van de duur van de prestatiebeurs is ingewilligd. Het Bericht vermeldt ook dat er een wijziging is in de verlenging van de duur van de studiefinanciering in verband waarmee de toelage is veranderd. Zoals uit het Bericht blijkt, in het bijzonder uit het daarin weergegeven overzicht van de maandelijks te ontvangen toelage, is de toelage alleen veranderd over de maanden september tot en met november 2007 in die zin dat ook over deze maanden een prestatiebeurs is toegekend. Dit betekent dat bij dit Bericht onverkort de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007 is gehandhaafd. Uit het vorenstaande volgt dat het Bericht Studiefinanciering van 28 december 2007 uitsluitend ziet op de vastgestelde OV-schuld en niet ook op de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007. Dit laatste was immers al vervat in de Berichten Studiefinanciering van 13 oktober 2006 en 27 oktober 2006. De Minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007 het Bericht van 28 december 2007 niet is gericht op rechtsgevolg. De Minster heeft er terecht op gewezen dat, gelet op de Berichten Studiefinanciering van 13 oktober 2006 en 27 oktober 2006, betrokkene ervan op de hoogte was dat zij per 1 december 2007 geen recht meer had op een OV-studentenkaart en zij deze kaart dan ook tijdig had moeten inleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4210 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 juli 2009, 08/1028 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-groep).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding appellant in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.L.A. Helmer, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Voor appellant was aanwezig mr. G.J.M. Naber, voor betrokkene mr. Helmer, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene, geboren op [geboortedatum], is met ingang van september 2003 een prestatiebeurs toegekend.

1.2. Bij Bericht Studiefinanciering 2007, nr.1, van 13 oktober 2006 heeft de Minister betrokkene medegedeeld dat zij vanaf

1 december 2007 geen recht meer heeft op studiefinanciering, omdat zij niet aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet. Voorts is aan betrokkene medegedeeld dat zij vanaf 1 september 2007 alleen nog recht heeft op een lening omdat aan haar het maximaal aantal maanden basisbeurs en/of aanvullende beurs is toegekend. Tevens is betrokkene medegedeeld dat zij vanaf 1 december 2007 geen recht meer heeft op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding.

1.3. Op 19 oktober 2006 heeft betrokkene verzocht om verlenging van de duur van de prestatiebeurs.

1.4. Dit verzoek is door de Minister bij besluit van 27 oktober 2006 ingewilligd. Dit besluit vermeldt: “Je hebt op

19 oktober 2006 verzocht om verlenging van de financieringsduur voor het hoger onderwijs in verband met een handicap. Dit verzoek is toegekend.”.

1.5. Bij Bericht Studiefinanciering 2007, nr.2, van eveneens 27 oktober 2006 heeft de Minister de hoogte van de toelage van betrokkene over de maanden september 2007 tot en met november 2007 gewijzigd in die zin dat betrokkene ook over deze maanden een prestatiebeurs ontvangt. Deze wijziging is weergegeven in een overzicht van de door betrokkene in de periode van januari 2007 tot en met november 2007 maandelijks te ontvangen toelage. In dit Bericht is herhaald dat betrokkene vanaf 1 december 2007 geen recht heeft op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding.

1.6. Bij Bericht Studiefinanciering 2007, nr.4, van 28 december 2007 heeft de Minster een OV-schuld over de maand december 2007 vastgesteld ten bedrage van € 136,- wegens onterecht kaartbezit. In dit Bericht is tevens vervat een overzicht van de toelage van betrokkene over de maanden januari 2007 tot en met november 2007.

1.7. Tegen dit Bericht heeft betrokkene een bezwaarschrift ingediend omdat zij zich niet kan vinden in de beëindiging van de studiefinanciering per 1 december 2007 en in het verlengde daarvan evenmin in de vaststelling van de OV-schuld.

1.8. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft de Minister het bezwaar van betrokkene tegen de beëindiging van de studiefinanciering niet-ontvankelijk verklaard, omdat het Bericht Studiefinanciering van 28 december 2007 geen verandering heeft gebracht in het einde van het recht op studiefinanciering - hierover is, aldus de Minister, beslist bij het Bericht Studiefinanciering van

13 oktober 2006 - en het Bericht van 28 december 2007 dan ook in zoverre niet is gericht op rechtsgevolg. Het bezwaar tegen de vaststelling van de OV-schuld is door de Minsister ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen over griffierecht en proceskosten het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 mei 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de Minister bij zijn besluit van 27 oktober 2006 het door betrokkene gedane verzoek om verlenging van de duur van de prestatiebeurs onverkort heeft gehonoreerd, dit besluit niet anders kan worden verstaan dan dat daarbij de prestatiebeurs is verlengd met de wettelijke termijn van één jaar. Na deze verlenging heeft de Minister niet eerder dan bij zijn Bericht Studiefinanciering van 28 december 2007 een besluit genomen waarbij de aanspraken van betrokkene op studiefinanciering per 1 december 2007 alsnog zijn herzien. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat bij het Bericht Studiefinanciering van 27 oktober 2006 uitsluitend is beslist over het recht op de OV-studentenkaart per die datum. Nu de Minister bij zijn Bericht Studiefinanciering van 28 december 2007 is teruggekomen van zijn besluit van 27 oktober 2006 in die zin dat de duur van de verlenging van de prestatiebeurs alsnog is beperkt tot

1 december 2007, heeft de Minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het Bericht Studiefinanciering van

28 december 2007 niet is gericht op rechtsgevolg.

2.3. Met betrekking tot de OV-schuld heeft de rechtbank overwogen dat, nu de Minister inhoudelijk dient te beslissen op het bezwaar van betrokkene ter zake van de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007, niet kan worden vastgesteld of betrokkene de OV-studentenkaart niet of niet tijdig heeft ingeleverd en of haar hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

3.1. De Raad kan zich met de Minister niet vinden in deze overwegingen van de rechtbank en overweegt daartoe het volgende.

3.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet het Bericht Studiefinanciering 2007, nr.2, van 27 oktober 2006 niet uitsluitend op het recht op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding.

Dit Bericht is een uitwerking van het besluit van gelijke datum waarbij het verzoek om verlenging van de duur van de prestatiebeurs is ingewilligd. Het Bericht vermeldt ook dat er een wijziging is in de verlenging van de duur van de studiefinanciering in verband waarmee de toelage is veranderd. Zoals uit het Bericht blijkt, in het bijzonder uit het daarin weergegeven overzicht van de maandelijks te ontvangen toelage, is de toelage alleen veranderd over de maanden september tot en met november 2007 in die zin dat ook over deze maanden een prestatiebeurs is toegekend. Dit betekent dat bij dit Bericht onverkort de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007 is gehandhaafd.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het Bericht Studiefinanciering van 28 december 2007 uitsluitend ziet op de vastgestelde OV-schuld en niet ook op de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007. Dit laatste was immers al vervat in de Berichten Studiefinanciering van 13 oktober 2006 en 27 oktober 2006. De Minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007 het Bericht van 28 december 2007 niet is gericht op rechtsgevolg. Hieraan kan niet afdoen dat het wenselijk zou zijn geweest, indien de Minister bij zijn besluit tot honorering van het verzoek om verlenging van de duur van de prestatiebeurs al had aangegeven dat hiermede de beëindiging van het recht op studiefinanciering per 1 december 2007 niet wijzigt.

3.4. Met betrekking tot de OV-schuld over de maand december 2007 overweegt de Raad dat hij zich kan vinden in hetgeen de Minister in zijn besluit van 16 mei 2008 daarover heeft overwogen. De Minster heeft er terecht op gewezen dat, gelet op de Berichten Studiefinanciering van 13 oktober 2006 en 27 oktober 2006, betrokkene ervan op de hoogte was dat zij per

1 december 2007 geen recht meer had op een OV-studentenkaart en zij deze kaart dan ook tijdig had moeten inleveren.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV