Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
10-120 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Geen aanleiding de door het Uwv aangenomen beperkingen voor onjuist te houden. De mede aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker voedingsmiddelen, medewerker tuinbouw, sorteerster en schoonmaakster kennen geen belastingen die de mogelijkheden van appellante te boven gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/120 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 november 2009, 08/1339 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. Theunissen, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.T. Bosch, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 2 oktober 2008, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – heeft vastgesteld dat appellante per

22 februari 2007 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

15 tot 25%.

De rechtbank heeft hiertoe – voor zover in het kader van dit hoger beroep van belang – overwogen dat het Uwv zich bij het besluit van 2 oktober 2008 heeft kunnen baseren op de omtrent appellante door de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige uitgebrachte rapportages.

1.2. De rechtbank heeft erop gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts tot zijn opvatting over de bij appellante bestaande mogelijkheden tot het verrichten van arbeid is gekomen na kennis te hebben genomen van de resultaten van het door de verzekeringsarts verrichte onderzoek en rekening heeft gehouden met de informatie afkomstig van de appellante behandelend psychologe Veltman en de psycholoog voor arbeid en gezondheid Lötgerink.

1.3. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante in beroep overgelegde verklaring van de psychiater

A.A. van Loon niet tot het oordeel leidt dat alsnog dient te worden getwijfeld aan de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde en door het Uwv overgenomen beperkingen.

2.1. In het hoger beroepschrift heeft appellante gesteld dat de gronden van hoger beroep gelijk zijn aan de in beroep ingediende gronden.

Appellante heeft ook in hoger beroep aangegeven dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de verklaringen van de huisarts en de psycholoog en haar psychische klachten onvoldoende ernstig heeft ingeschat.

2.2. In een aanvullend hoger beroepschrift, dat eerst kort voor de zitting is ingediend, heeft appellante nog aangevoerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet voor haar geschikt zijn.

2.3. Ter zitting heeft appellante er nog op gewezen dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door de psychiater Van Loon verstrekte informatie.

2.4. Appellante heeft de Raad ten slotte verzocht een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. De gronden van appellante bedoeld in 2.1 zijn, zoals appellante ook heeft aangegeven, een herhaling van de gronden die reeds in beroep zijn ingebracht. Appellante heeft niet aangegeven waarom de rechtbank die gronden niet juist heeft beoordeeld. De Raad komt op basis van de in beroep aangevoerde en in hoger beroep herhaalde gronden niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De rechtbank heeft de gronden bedoeld in 2.1 met juistheid besproken. De Raad heeft hieraan niets toe te voegen.

3.3. De Raad volgt niet het standpunt van appellante als neergelegd in 2.3. Dit standpunt gaat eraan voorbij dat de Raad in zijn tussen partijen gegeven uitspraak van 1 mei 2009, LJN BI3003 reeds een oordeel heeft uitgesproken over de in 2.3 bedoelde informatie die ook in die procedure was ingebracht. De Raad heeft geen enkel aanknopingspunt om in deze procedure tot een ander oordeel over die informatie te komen. Uit hetgeen de Raad ten aanzien van de onderzoeksbevindingen van Van Loon reeds heeft overwogen volgt dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien de door het Uwv aangenomen beperkingen voor onjuist te houden.

3.4. Ook in hoger beroep heeft appellante geen gegevens naar voren gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het door het Uwv gevolgde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en het hierover gegeven oordeel door de rechtbank. Voor het benoemen van een deskundige voor het instellen van een onderzoek bestaat dan ook geen aanleiding.

3.5. De beroepsgrond van appellante bedoeld in 2.2 treft evenmin doel. De mede aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker voedingsmiddelen, medewerker tuinbouw, sorteerster en schoonmaakster kennen geen belastingen die de mogelijkheden van appellante te boven gaan en leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid als vastgesteld door het Uwv. De Raad kan zich vinden in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige bedoeld in 1.1. Dat appellante zich meer beperkt acht en daarom van opvatting is dat zij de functies niet kan vervullen doet hieraan niet af, nu de Raad appellante – naar volgt uit hetgeen is overwogen in 3.2 tot en met 3.4 – niet volgt in haar standpunt over haar beperkingen.

3.6. Het hoger beroep treft gelet op hetgeen overwogen in 3.2 tot en met 3.5 geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) T.J. van der Torn.

RK