Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09-1050 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging uitspraak voorzieningenrechter CRvB LJN BH6515, 16-03-2009: "de genoemde punten, ook indien deze in verband worden bezien met de overige tekortkomingen van betrokkene, kunnen het verleende ongeschiktheidsontslag niet dragen. Voor het ontstaan van onwerkbare verhoudingen in de laatste weken voor het ontslag is in de gedingstukken geen aanknopingspunt te vinden". Naar aanleiding van hetgeen het College ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad nog dat geen sprake is van het niet voldoende uit de verf komen van een groot deel van de taken van betrokkene. Dat wellicht niet voldoende uit de verf komen heeft immers slechts betrekking op hooguit 20% van de door betrokkene verrichte werkzaamheden. Bovendien is voor diverse van de door de gemachtigde van appellant ter zitting genoemde voorbeelden van onvoldoende functioneren van betrokkene onvoldoende feitelijke onderbouwing te vinden in de gedingstukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1050 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2009, 08/2364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (hierna: voorzieningenrechter) heeft bij uitspraak van

16 maart 2009 (hierna: vovo-uitspraak) het verzoek om schorsing van de aangevallen uitspraak afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door G. van Asperen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met een weergave van de overwegingen in 1.1 tot en met 1.3 van de vovo-uitspraak.

“1.1. Betrokkene is met ingang van 1 januari 2001 aangesteld als [naam functie] bij de afdeling p[naam afdeling] met een taakomvang van 32 uur per week. Ter gelegenheid van een reorganisatie is betrokkene per 1 januari 2004 1 op 1 geplaatst in de opnieuw beschreven functie van [naam functie]. Vanaf 1 augustus 2004 is [W.] de nieuwe teamleider geworden. Deze teamleider heeft regelmatig met betrokkene over zijn functioneren gesproken en met betrokkene in 2005 en 2006 een functioneringsgesprek en een plangesprek gevoerd. In 2005 heeft betrokkene begeleiding gehad van een loopbaan-adviseur in verband met de veranderde vraagstelling van de organisatie. Een in dat verband opgemaakt psychologisch rapport noemt communicatie als aandachtspunt en concludeert dat betrokkene voldoende geschikt is voor zijn functie zoals beschreven in de functiebeschrijving. In 2006 heeft betrokkene een cursus pensioenen en een cursus persoonlijk effectiviteit gevolgd.

1.2. Op 19 juli 2006 heeft de teamleider betrokkene geïnformeerd over het streven om te bezuinigen door het reguliere bulkwerk met betrekking tot de salarissen uit te besteden, kenbaar gemaakt dat de functie van betrokkene zeker zal veranderen en dat er in geval van uitbesteding naar verwachting geen passende functie bij de PSA voor betrokkene zal blijven. In het Formulier Functionerings-/Ontwikkelgesprek (hierna: FFO) van 11 oktober 2006 is onder meer vermeld, dat de PSA onvoldoende is meegegroeid met nieuwe ontwikkelingen en dat de PSA meer een vraagbaakfunctie met expertise zal moeten krijgen en meer zal moeten adviseren. Voorts zijn de persoonlijke, de generieke

en de functiecompetenties benoemd en is vermeld in welke mate betrokkene hieraan voldoet; geconstateerd wordt dat de competenties van betrokkene gezien de ontwikkelingen niet aansluiten bij de vragen die hier aan de PSA worden gesteld. Betrokkene zal gaan uitkijken naar een andere functie.

1.3. Na tevergeefse onderhandelingen medio 2007 over een beëindiging van het dienst-verband is aan betrokkene na een daarop gericht voornemen bij besluit van 26 november 2007 met ingang van 1 december 2007 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), met toekenning van een bedrag van € 8.000,-, dat door betrokkene besteed kon worden aan outplacement en/of scholing. Bij besluit op bezwaar van 24 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard en het ontslag gehandhaafd.”

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 26 november 2007 herroepen. De rechtbank was van oordeel dat de ongeschiktheid van betrokkene onvoldoende was aangetoond en dat appellant zich te veel heeft laten leiden door de toekomstige functie.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep bestreden dat betrokkene is beoordeeld met het oog op de toekomstige functie en zijn standpunt gehandhaafd dat betrokkene ongeschikt is voor zijn (huidige) functie.

3. Aan de vovo-uitspraak ontleent de Raad de volgende overwegingen, waarbij voor verzoeker moet worden gelezen appellant.

“3.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ook van de zijde van verzoeker is aangegeven dat op het functioneren van betrokkene wat betreft zijn inhoudelijke taken op het gebied van de salaris- en personeelsadministratie geen kritiek bestaat. De ongeschikt-heid van betrokkene is volgens verzoeker gelegen in de wijze waarop betrokkene enkele andere, meer service-gerichte, taken verrichtte, met name het verzorgen van manage-mentinformatie en het fungeren als vraagbaak op het gebied van pensioenen en sociale zekerheid (hierna: overige taken).

Beide partijen hebben ter zitting desgevraagd de omvang van de inhoudelijke taken en de overige taken van betrokkene feitelijk op 80%, respectievelijk 20% gesteld. Verzoeker heeft daarbij aangegeven dat het streven gericht was op een 60-40 verhouding, maar dat dit niet is gerealiseerd. De voorzieningenrechter constateert derhalve dat de door verzoeker aanwezig geachte tekortkomingen van betrokkene betrekking hebben op een beperkt deel van zijn totale taak.

3.5. In verband met de vraag voor welke functie de geschiktheid van betrokkene is beoordeeld overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.1. De gedingstukken laten zien dat de teamleider vanaf begin 2005 de veranderende vraagstelling van de organisatie en een accentverschuiving in betrokkenes taken aan de orde heeft gesteld. In dat verband is ook - aanvankelijk nog verkennend - gesproken over de daarbij behorende competenties, zoals dienstverlenend, proactief en communicatief zijn. In verband met de in het FFO van 11 oktober 2006 besproken competenties heeft verzoeker ter zitting meegedeeld dat het in 2005 ingevoerde competentiemanagement medio 2006 heeft geleid tot de vaststelling van deze competenties.

3.5.2. Verzoeker heeft in het FFO van 11 oktober 2006 goeddeels op grond van de uitkomst van de beschrijving van de mate waarin betrokkene beschikt over de genoemde competenties, de conclusie getrokken dat betrokkene niet geschikt is voor zijn functie. In dat FFO blijkt niet duidelijk welke functie-inhoud daarbij in aanmerking is genomen. Verzoeker heeft ontkend dat betrokkene bezien is naar de functie zoals deze na de mogelijke uitbesteding van het bulkwerk zou worden. Niettemin kan de voorzieningen-rechter er niet aan voorbijgaan dat de functie van betrokkene volgens de beschrijving van

1 januari 2004 een overwegend technische functie was, waarbij de overige taken een bescheiden plaats innamen, en dat door verzoeker nadien gaandeweg meer het accent is gelegd op die overige taken en de daarbij behorende competenties in een mate dat ten tijde van het FFO van 11 oktober 2006 materieel sprake was van een gewijzigde functie-inhoud.

3.5.3. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 januari 2008, LJN BC2443) kan aan het bevoegd gezag niet het recht worden ontzegd, nieuwe accenten in een functie aan te brengen, die nieuwe eisen aan de bekleder van die functie stellen, maar daarbij dient dan wel aan de betrokkene een redelijke termijn te worden gegund om aan die eisen te gaan voldoen. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat aan betrokkene, onder meer gelet op de achtergrond van betrokkene en het - naar ook van de zijde van verzoeker is beklemtoond - kennisintensieve karakter van de overige taken, voldoende tijd is gegund om aan de gewijzigde functie-eisen en bijbehorende competen-ties te gaan voldoen.

3.6. Met betrekking tot de wijze van vervulling van de overige taken in 2006 en 2007 geven de gedingstukken geen goed inzicht in de omvang en ernst van de door verzoeker gestelde tekortkomingen. In meergenoemd FFO, dat een beoordeling geeft over het tijdvak van 22 december 2005 tot 11 oktober 2006, ontbreekt concrete kritiek op de wijze waarop betrokkene zijn overige taken vervulde. Gelet daarop valt niet goed in te zien dat betrokkene zozeer tekort is geschoten in de vervulling van deze taken dat dit ten grond-slag kan worden gelegd aan het oordeel dat betrokkene ongeschikt is voor zijn functie. Voor zover bij de beschrijving van de competenties in dit formulier wordt aangegeven dat betrokkene bepaalde competenties niet of nog onvoldoende bezit, dan is daarmee - naar het oordeel van de voorzieningenrechter - nog niet gegeven dat betrokkene duidelijk tekort is geschoten in de verrichting van taken.

3.7. In het ontslagvoornemen van 23 oktober 2007 wordt wel een aantal concrete punten genoemd waaruit het tekortschieten van betrokkene zou moeten blijken. Deels betreft het echter punten, waarvan onduidelijk is of deze eerder met betrokkene zijn besproken en als verbeterpunt aangemerkt en zo ja, of verbetering nadien is uitgebleven. Ten aanzien van de overige punten overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

3.7.1. De kritiek van verzoeker op de handelwijze van betrokkene in 2006 bij de pensioencursus en het aansluitende examen Pensioenadviseur acht de voorzieningenrechter terecht.

3.7.2. Het ernstige verwijt van verzoeker aan betrokkene in verband met de bezetting van de afdeling op 4 en 5 mei 2006 kan de voorzieningenrechter echter niet ten volle delen. In de gedingstukken is geen aanknopingspunt te vinden om betrokkene verantwoordelijk te houden voor de aan- en afwezigheid van de medewerkers van de PSA en een voldoende mate van bezetting. Een accentverschuiving in de taken van betrokkene kan niet - zonder duidelijke vastlegging - leiden tot een nieuwe verantwoordelijkheid die geheel buiten de bestaande taken ligt. De ernstige kritiek op de feitelijke afwezigheid van betrokkene op 4 en 5 mei 2006, nadat de directe aanleiding voor de toegekende vrije dagen te elfder ure was weggevallen, acht de voorzieningenrechter eveneens minder passend.

3.7.3. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd geraakt dat de kritiek van verzoeker op de wijze waarop betrokkene informatie aanleverde voor het management geheel terecht is. Weliswaar wordt door betrokkene het tekort hierin impliciet erkend, maar voor de voorzieningenrechter is niet komen vaststaan dat betrokkene de benodigde middelen voor een goede informatieverstrekking ter beschikking stonden en dat betrokkene zelf steeds verantwoordelijk was voor het ontbreken van die middelen.

3.7.4. Samengevat is de voorzieningenrechter van oordeel dat genoemde punten, ook indien deze in verband worden bezien met de overige tekortkomingen van betrokkene, het verleende ongeschiktheidsontslag niet kunnen dragen.”

3.1. De Raad kan zich volledig vinden in de hiervoor weergegeven overwegingen van de voorzieningenrechter en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad nog dat geen sprake is van het niet voldoende uit de verf komen van een groot deel van de taken van betrokkene. Dat wellicht niet voldoende uit de verf komen heeft immers slechts betrekking op hooguit 20% van de door betrokkene verrichte werkzaamheden. Bovendien is voor diverse van de door de gemachtigde van appellant ter zitting genoemde voorbeelden van onvoldoende functioneren van betrokkene onvoldoende feitelijke onderbouwing te vinden in de gedingstukken.

4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de

Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

HD