Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
08-7352 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep heeft appellant wederom betoogd dat hij niet in staat is tot het aanleveren van informatie omdat zijn volmacht in de BV zich beperkt tot technisch beheer. Appellant wenst dat uitvoering wordt gegeven aan de tweede variant genoemd in de uitspraak van de Raad, en dat de minister het het benadelingsbedrag schattenderwijs vaststelt.

De minister was vrij om te kiezen voor voortzetting van de opgelegde schorsing (van de BWOO-uitkering) zolang appellant niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit heeft appellant daaraan nog steeds niet had voldaan. Het beroep op overmacht slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7352 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 november 2008, 08/2542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de minister is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010. Appellant is verschenen en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussen partijen gewezen uitspraken van de Raad van 22 november 2007, 06/251 AW + 06/1997 AW + 06/6370 AW en van 2 april 2003, 00/5964 AW, 01/1685 AW en 02/2777 AW. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was in het bezit van een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel. De betaling van die uitkering is met ingang van 1 januari 2000 geschorst wegens het niet inzenden van maandformulieren. Die beslissing heeft in rechte stand gehouden bij de genoemde uitspraak van 2 april 2003. Bij besluit van 25 augustus 2004 is de uitkering vanaf 1 januari 2000 blijvend geheel geweigerd wegens het plegen van een benadelingshandeling, omdat, kort gezegd, niet kon worden vastgesteld hoeveel uren appellant heeft gewerkt in de [naam BV] (hierna: BV) en hij onwillig blijft hierover informatie te verschaffen welke noodzakelijk is om het recht op uitkering vast te stellen. De handhaving van dat besluit heeft de rechtbank vernietigd, met de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad heeft deze uitspraak in zijn genoemde uitspraak van 22 november 2007 bevestigd.

Geoordeeld is dat appellant de op hem rustende informatieverplichting niet is nagekomen, maar dat de minister ten onrechte de uitkering blijvend geheel heeft geweigerd in plaats van toepassing te geven aan de kortingsbepaling uit de van toepassing zijnde Regeling maatregelen sector onderwijs en wetenschappen.

1.2. In de uitspraak van 22 november 2007 heeft de Raad in rechtsoverweging 4.5 overwogen dat, ter uitvoering van de uitspraak, de minister bij gebrek aan exacte gegevens ofwel de opgelegde schorsing van de uitkering zal kunnen laten voortduren totdat de benodigde gegevens zijn verkregen, dan wel het benadelingsbedrag schattenderwijs dienen vast te stellen, waarna het aan appellant is zich daartegen met behulp van de benodigde gegevens te verweren.

1.3. Bij besluit van 23 april 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 25 augustus 2004 ingetrokken, het bezwaar daartegen gegrond verklaard en bepaald dat de schorsing voortduurt totdat appellant de benodigde informatie verschaft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de keuze mocht maken voor de eerste variant van de genoemde twee. Daarbij is overwogen dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij zelf niet in de gelegenheid is informatie te verschaffen als gevolg van overmacht. Voorts is overwogen dat van wettelijke rente geen sprake kan zijn.

3. In hoger beroep heeft appellant wederom betoogd dat hij niet in staat is tot het aanleveren van informatie omdat zijn volmacht in de BV zich beperkt tot technisch beheer. Appellant heeft enige stukken overgelegd met betrekking tot werkzaamheden in december 2002, januari, februari, maart, april en september 2003. Appellant wenst dat uitvoering wordt gegeven aan de tweede variant genoemd in de uitspraak van de Raad. Van de zijde van de minister is verklaard dat appellant nog steeds niet de benodigde informatie heeft verstrekt, zodat de schorsing terecht is gehandhaafd en er geen reden bestaat die op te heffen. Voor schatting van het benadelingsbedrag ziet de minister geen kans, nu de aangeleverde gegevens daarvoor onvoldoende zijn.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht het volgende.

4.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het de minister op grond van hetgeen onder 1.2 is weergegeven vrijstond te kiezen voor voortzetting van de opgelegde schorsing zolang appellant niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van het nemen van het bestreden besluit daaraan nog steeds niet had voldaan en de Raad deelt ook het oordeel van de rechtbank dat het beroep op overmacht niet kan slagen. Daarmee heeft de minister dus een juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank, zoals bevestigd door de Raad.

4.2.De Raad herhaalt dat appellant degene is die door het verstrekken van de juiste informatie aan moet tonen dat er reden bestaat de schorsing op te heffen, waartoe een verzoek kan worden gericht aan de minister. Ter voorlichting aan appellant merkt de Raad op de mening van de minister te delen dat de thans in (hoger) beroep overgelegde informatie daarvoor ruimschoots onvoldoende is.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD

15.07