Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
09-5784 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De in hoger beroep overgelegde medische informatie ziet niet op de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de FML oordeelt de Raad dat de bva de grief van appellant gericht tegen de veronderstelde overschrijdingen in de functies op het aspect van gebogen en/of getordeerd actief zijn juist en volledig heeft weerlegd. De Raad is van oordeel dat de schatting op een voldoende gemotiveerde arbeidskundige grondslag berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5784 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 september 2009, 08/806 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.M. Arends-Deurenberg, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arends-Deurenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de

WAO-uitkering van appellant per 23 augustus 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van 25 januari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen geen aanleiding te zien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Uit de door appellant in het geding gebrachte brief van de neuroloog van 17 april 2008 blijkt niet dat appellant op de datum in geding verdergaande beperkingen had dan al is aangenomen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat er een medische noodzaak bestond voor een urenbeperking.Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 22 januari 2008 in voldoende mate heeft gemotiveerd dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag liggende functies de mogelijkheden van appellant niet overschrijdt.

3.1. Appellant stelt zich in hoger beroep primair op het standpunt dat in de FML zijn beperkingen niet voldoende tot uiting zijn gekomen. Ter onderbouwing daarvan legt hij over een radiologisch onderzoeksrapport van 17 november 2009 en twee brieven van de neuroloog van 5 augustus 2009 en 7 december 2009. Door middel van de thans in het geding gebrachte informatie acht appellant de door hem gestelde lichamelijke beperkingen medisch geobjectiveerd en de noodzaak voor een urenbeperking aangetoond.

3.2. Subsidiair betwist appellant dat de geduide functies van wikkelaar, parkeercontroleur, receptionist en productiemedewerker voor hem geschikt zijn. Hij acht zich met name niet in staat zo lang achtereen gebogen actief te zijn als in de verschillende functies is vereist (aspect 5.6).

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

4.2. Naar aanleiding van de in hoger beroep overgelegde medische informatie wijst de Raad, onder verwijzing naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van

8 januari 2010, er op dat deze niet ziet op de datum in geding. Uit het enkele feit dat in 2009 de aanwezigheid van een hernia is vastgesteld, valt niet af te leiden dat deze hernia ook reeds in 2007 aanwezig was. Daarbij komt dat de verzekeringsarts met de in 2007 geconstateerde klachten rekening heeft gehouden en beperkingen heeft aangenomen. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat met de klachten van appellant in onvoldoende mate rekening is gehouden.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de FML van 16 mei 2007 is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn nadere rapportage van 18 mei 2010 de grief van appellant gericht tegen de veronderstelde overschrijdingen in de functies op het aspect 5.6 (gebogen en/of getordeerd actief zijn) nogmaals – in navolging van de primaire arbeidsdeskundige – juist en volledig heeft weerlegd. De Raad is van oordeel dat de schatting op een voldoende gemotiveerde arbeidskundige grondslag berust.

4.4. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) T.J. van der Torn.

RK