Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
09-5722 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening (volledige) WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Niet is gebleken van aanknopingspunten om het onderzoek door de verzekeringsartsen als onvoldoende uitgebreid of anderszins als onvoldoende zorgvuldig aan te merken. De lichamelijke en psychische klachten van appellante zijn slechts in beperkte mate objectiveerbaar. Appellante heeft geen nadere medische gegevens heeft ingebracht ter onderbouwing van haar eigen stellingen inzake de ernst van haar beperkingen en de invloed daarvan op haar mogelijkheden om arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/5722 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2009, 08/5676 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellante is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in september 1998 wegens klachten van psychische aard uitgevallen voor haar voltijdse werkzaamheden als project-adviseur.

1.2. De aan appellante ingaande einde wachttijd toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is bij besluit van 23 juni 2008 met ingang van 20 augustus 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Bij besluit van 6 november 2008, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2008 gegrond verklaard en is de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 20 augustus 2008 nader vastgesteld op 35 tot 45%.

3.1. De rechtbank heeft de grief van appellante verworpen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de diverse verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt dat alle relevante medische informatie uit de curatieve sector over de psychische gesteldheid van appellante alsmede alle door haar geuite medische klachten in de beoordeling zijn meegenomen.

3.2. Voorts heeft de rechtbank geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 oktober 2008. De door appellante overgelegde brief van haar huisarts van 13 januari 2009, dienende ter onderbouwing van haar eigen opvatting dat haar psychische en fysieke beperkingen zijn onderschat, bevat volgens de rechtbank geen nieuwe medische informatie die niet reeds door de verzekeringsartsen in de beoordeling is betrokken.

3.3. De rechtbank heeft zich voorts kunnen stellen achter de als arbeidsmogelijkheden voor appellante aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de belasting van die functies binnen de voor appellante vastgestelde belastbaarheid blijft. De rechtbank heeft de door appellante tegen de verschillende functies aangevoerde bezwaren uitvoerig besproken en uiteengezet dat en waarom die bezwaren geen doel treffen.

3.4. Omdat door de gemachtigde van het Uwv ter zitting het standpunt was ingenomen dat een onjuiste uitlooptermijn is gehanteerd en herziening van de uitkering van appellante niet eerder had mogen worden gerealiseerd dan met ingang van 6 januari 2009, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 23 juni 2008 herroepen en aldus zelf in de zaak voorzien dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 6 januari 2009 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats, mede onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, dat het door appellante ingestelde hoger beroep moet geacht worden uitsluitend betrekking te hebben op de herziening door de rechtbank van de mate van haar arbeidsongeschiktheid ingaande 6 januari 2009 naar de klasse 35 tot 45%.

4.2. De gronden van appellante betreffen in het bijzonder het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante kan zich niet ermee verenigen dat de rechtbank de herkeuring door de verzekeringsartsen van het Uwv als voldoende zorgvuldig heeft bestempeld en heeft geoordeeld dat haar beperkingen door die artsen juist zijn vastgesteld. Zij handhaaft haar opvatting dat haar beperkingen, zowel op psychisch als op lichamelijk terrein, zijn onderschat. Wat betreft haar lichamelijke klachten wijst appellante op haar schouderklachten en op de problemen die zij ondervindt bij langdurig staan. Haar psychische klachten bestaan met name hieruit dat zij zichzelf niet tot nauwelijks bestand acht tegen enige vorm van stress, in verband waarmee zij stelt ook niet te zijn opgewassen tegen de druk die een arbeidssituatie met zich brengt. Afzonderlijke grieven met betrekking tot de geselecteerde functies zijn door appellante in hoger beroep niet meer aangevoerd.

4.3. De Raad stelt zich achter het oordeel van de rechtbank dat niet is kunnen blijken van aanknopingspunten om het onderzoek door de verzekeringsartsen als onvoldoende uitgebreid of anderszins als onvoldoende zorgvuldig aan te merken. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd.

4.4. Voorts heeft ook de Raad in de voorliggende gegevens geen objectief-medische aanknopingspunten aangetroffen voor de eigen opvatting van appellante dat de ten aanzien van haar in aanmerking genomen beperkingen niet toereikend zijn. Naar door bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans in haar rapport van 20 augustus 2008 is aangegeven zijn, hoewel uit de beschikbare medische gegevens naar voren komt dat de lichamelijke en psychische klachten van appellante slechts in beperkte mate objectiveerbaar zijn, diverse beperkingen aangegeven voor psychische belasting, longbelasting, enkelbelasting en schouderbelasting. Volgens Huijsmans is hiermee in ruime mate rekening gehouden met de feitelijk objectiveerbare afwijkingen van appellante. Mede in aanmerking genomen dat appellante geen nadere medische gegevens heeft ingebracht ter onderbouwing van haar eigen stellingen inzake de ernst van haar beperkingen en de invloed daarvan op haar mogelijkheden om arbeid te verrichten, heeft de Raad geen aanleiding evenvermelde zienswijze van Huijsmans voor onjuist te houden.

4.5. Aldus ervan uitgaande dat de ten aanzien van appellante van toepassing geachte beperkingen juist zijn te achten, staat ten slotte ook voor de Raad genoegzaam vast dat de bij de schatting gebruikte functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. Ook op dit punt sluit de Raad zich aan bij de in de aangevallen uitspraak neergelegde overwegingen van de rechtbank.

4.6. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.L. de Gier.

RK