Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09-1344 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Het gedrag van appellante verbeterde kennelijk niet en er bestond geen vertrouwen meer in herstel van een goede werkrelatie. In het bijzonder het misbruik van het tijdregistratiesysteem mocht appellante zwaar worden aangerekend, nu zij als eerste medewerker publiekszaken niet alleen een voorbeeldfunctie had, maar ook tot taak had te beslissen over de roosters van de overige medewerkers van de afdeling en over verlofverzoeken van deze medewerkers. Met het schenden van de voorschriften verbonden aan het gebruik van het tijdregistratiesysteem en het zich niet houden aan het verzuimprotocol heeft appellante er blijk van gegeven zich onvoldoende bewust te zijn van de verplichtingen die uit de aard van haar functie voortvloeien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1344 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 februari 2009, 08/1759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer (hierna: college)

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W. Hovingh, advocaat te Alkmaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Dickhoff, advocaat te Diemen, en door drs. R. Luiks en M.J.M. van Deursen, beiden werkzaam bij de gemeente Opmeer.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is sedert 1 april 1981 werkzaam bij de gemeente Opmeer, laatstelijk in de functie van eerste medewerker publiekszaken. In een gesprek op 7 februari 2008 is appellante er mee geconfronteerd dat zij zich aantoonbaar en bij herhaling schuldig zou hebben gemaakt aan misbruik van het tijdregistratiesysteem. Daarnaast is vastgesteld dat de partner van appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet stond ingeschreven op haar adres, hoewel hij daar feitelijk wel woonde. Appellante heeft deze feiten erkend.

In een brief van 26 februari 2008 aan appellante heeft het college deze gedragingen aangemerkt als ernstig plichtsverzuim, op grond waarvan ongevraagd ontslag mogelijk is. Het college zag daar echter, rekening houdende met een aantal in die brief genoemde omstandigheden, vooralsnog vanaf en overwoog te volstaan met de disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping, met daaraan verbonden een aantal voorwaarden. Indien appellante zich niet aan die voorwaarden zou houden, zou alsnog strafontslag worden verleend. Alvorens tot strafoplegging over te gaan, is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 6 maart 2008.

1.2. Op 27 februari 2008 heeft appellante zich ziek gemeld wegens griepklachten. Op 28 februari 2008 is door zowel de afdeling P&O als door collega’s van haar eigen afdeling, tevergeefs getracht telefonisch contact met appellante op te nemen. Later op die middag heeft appellante zelf contact opgenomen met één van haar collega’s, waarin zij heeft gemeld die middag vanaf ongeveer 15.00 uur niet bereikbaar te zijn geweest vanwege een bezoek aan een advocaat. Daarop is appellante bij brief van 3 maart 2008 medegedeeld dat zij zich opnieuw niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat haar gedrag zal worden betrokken bij de hoorzitting en dat het college zich het recht voorbehoudt van de voorgenomen sanctie af te wijken en dat die sanctie ook kan bestaan uit het onverwijld opleggen van strafontslag.

1.3. Bij besluit van 11 maart 2008 is appellante met ingang van 18 maart 2008 de straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Appellante is daarbij verweten dat:

a. zij misbruik heeft gemaakt van het tijdregistratiesysteem, als gevolg waarvan zij over de jaren 2006, 2007 en januari 2008 in totaal 57 uur minder heeft gewerkt dan daarin is verantwoord,

b. haar partner - die feitelijk op haar adres woonde - niet op haar adres stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens,

c. zij tijdens haar ziekte niet bereikbaar was en daarmee ook oncollegiaal heeft gehandeld omdat voor de collega’s lang onduidelijk was of appellante de volgende dag zou moeten worden vervangen.

Na bezwaar is dit besluit bij de beslissing op bezwaar van 29 april 2008 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de gedraging onder a terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Gedraging b leverde naar het oordeel van de rechtbank geen plichtsverzuim op. Ten aanzien van gedraging c oordeelde de rechtbank dat appellante in strijd met het verzuimprotocol heeft gehandeld door op 28 februari 2008 enige tijd onbereikbaar te zijn geweest op het door haar opgegeven adres. Ook op dit punt achtte de rechtbank sprake van plichtsverzuim, zij het van mindere ernst dan het college had aangenomen. De rechtbank was voorts van oordeel dat de aard en ernst van het geconstateerde plichtsverzuim zodanig is dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het college heeft berust in de aangevallen uitspraak en zich voor wat betreft de aard en omvang van het door appellante gepleegde plichtsverzuim aangesloten bij hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak daarover heeft overwogen. Gedraging b is dus niet meer aan de orde.

3.2. Voor zover appellante in hoger beroep het bij plichtsverzuim a door het college vastgestelde aantal uren van 57 ter discussie wil stellen, overweegt de Raad dat appellante dat aantal in bezwaar en beroep heeft erkend. De Raad gaat derhalve uit van het door het college in aanmerking genomen aantal uren.

3.3. De Raad volgt appellante niet waar zij stelt dat haar steeds is voorgehouden dat haar handelwijze tot haar ziekmelding op 27 februari 2008 niet tot ontslag zou leiden. Uit de brief van 26 februari 2008 blijkt zonneklaar dat het college appellantes gedrag zodanig ernstig opnam, dat ontslag als straf daarvoor niet werd uitgesloten. Enkel uit coulance werd daarvan vooralsnog, en dan nog onder voorwaarden, afgezien. Appellante had zich moeten realiseren, en heeft zich dat ook gedaan gelet op hetgeen zij tijdens het gesprek van 6 maart 2008 heeft verklaard, dat een zwaardere straf dan een berisping zou worden opgelegd.

3.4. Kort na de ontvangst van de brief van 26 februari 2008 gedroeg appellante zich opnieuw niet zoals van een goed ambtenaar mag worden verlangd. Hieruit heeft het college kunnen concluderen dat het gedrag van appellante kennelijk niet verbeterde en dat er geen vertrouwen meer kon bestaan in herstel van een goede werkrelatie. Onder meer op herstel van die werkrelatie waren de in de brief van 26 februari 2008 neergelegde voorwaarden gericht. Onder deze omstandigheden kon het college besluiten om een zwaardere straf op te leggen dan was voorgenomen.

3.5. Evenals de rechtbank acht de Raad de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig. In het bijzonder het misbruik van het tijdregistratiesysteem mocht appellante zwaar worden aangerekend, nu zij als eerste medewerker publiekszaken niet alleen een voorbeeldfunctie had, maar ook tot taak had te beslissen over de roosters van de overige medewerkers van de afdeling en over verlofverzoeken van deze medewerkers. Met het schenden van de voorschriften verbonden aan het gebruik van het tijdregistratiesysteem en het zich niet houden aan het verzuimprotocol heeft appellante er blijk van gegeven zich onvoldoende bewust te zijn van de verplichtingen die uit de aard van haar functie voortvloeien.

4. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD