Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3493

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09-1376 AW en 09-1377 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval wordt niet aangemerkt als een dienstongeval. Afwijzing verzoek aan korpsbeheerder om aansprakelijkheid te erkennen voor de door appellante als gevolg van het ongeval geleden schade. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ongeval niet in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van appellante. Niet kan worden gezegd dat het risico op het oplopen van lichamelijk letsel door het omvallen van een bureaustoel inherent is aan het verrichten van (kantoor)werkzaamheden zoals hier aan de orde. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het ongeval evenmin in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de omstandigheden waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de korpsbeheerder zijn stelling dat hij zijn zorgplicht is nagekomen voldoende heeft onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1376 AW + 09/1377 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 januari 2009, 07/178 en 07/949 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Zuid-Holland-Zuid (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Overdam, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem, en A.J. Visser, werkzaam bij de politieregio Zuid-Holland-Zuid.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is werkzaam als [naam functie] voor 32 uur per week bij de politieregio Zuid-Holland-Zuid. Op 7 november 2005 verrichtte zij beeldschermwerk-zaamheden op een zogeheten flexwerkplek. Bij het opstaan uit haar bureaustoel heeft appellante deze stoel eerst naar achteren geschoven. Daarbij is de stoel omgevallen en is appellante op de grond gevallen. Zij heeft hierbij letsel aan haar rechterschouder en -arm opgelopen.

1.2. Bij besluit van 6 december 2005 heeft de korpsbeheerder aan appellante meegedeeld dat het ongeval niet wordt aangemerkt als een dienstongeval zoals bedoeld in artikel 54, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft de korpsbeheerder bij besluit van 19 februari 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.3. Bij brief van 2 februari 2006 heeft appellante de korpsbeheerder verzocht aansprakelijkheid te erkennen voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft de korpsbeheerder afwijzend op dit verzoek beslist. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft de korpsbeheerder bij besluit van 22 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, op het standpunt gesteld dat sprake is van een dienstongeval en dat de korpsbeheerder zijn zorgplicht heeft geschonden. Volgens appellante is de korpsbeheerder in gebreke gebleven om een veilige werkplek te creëren. Appellante heeft er daarbij onder meer op gewezen dat in een rapport van 23 mei 2006, opgesteld naar aanleiding van een op 12 mei 2006 verricht werkplek-onderzoek, is vermeld dat zij moest werken aan een relatief hoog bureau dat niet in hoogte instelbaar was. Volgens appellante is het verstrekken van een instructieboekje voor het gebruik van de bureaustoel niet toereikend en had de korpsbeheerder de stoel door een arbodeskundige op juiste wijze moeten laten instellen.

3.2. De korpsbeheerder acht de aangevallen uitspraak juist. Hij heeft onder meer aangevoerd dat uit het verrichte werkplekonderzoek blijkt dat het desbetreffende bureau en de gebruikte bureaustoel voldeden aan de daaraan te stellen eisen. Volgens de korpsbeheerder strekt zijn zorgplicht niet zover dat hij zijn werknemers moet wijzen op het kunnen omkiepen van een bureaustoel bij onvoorzichtig gebruik en was hij evenmin gehouden om anderszins aanvullende maatregelen te treffen of instructies te geven.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Tussen partijen is onder meer in geschil of het appellante overkomen ongeval moet worden aangemerkt als een dienstongeval als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van het Barp. Daarvan is, gezien artikel 1, eerste lid, aanhef en onder z, van het Barp, sprake indien het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Aan artikel 54 van het Barp ligt naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 juli 2009, LJN BJ4986) het uitgangspunt ten grondslag dat de overheidswerkgever die de ambtenaar werkzaamheden opdraagt en hem daarmee blootstelt aan een - gelet op de aard van die werkzaamheden of de omstandigheden waaronder zij moeten worden verricht - verhoogd risico, de kosten van geneeskundige behandeling en verzorging die de ambtenaar moet maken als gevolg van een ongeval dat in overwegende mate met dat verhoogde risico verband houdt, voor zijn rekening moet nemen.

4.1.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het ongeval niet in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden van appellante. Niet kan worden gezegd dat het risico op het oplopen van lichamelijk letsel door het omvallen van een bureaustoel inherent is aan het verrichten van (kantoor)werkzaamheden zoals hier aan de orde. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het ongeval evenmin in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de omstandigheden waaronder de werkzaam-heden moesten worden verricht. In dit verband wijst de Raad op het onder 3.1 genoemde rapport van 23 mei 2006, waarin onder meer is vermeld dat de hoogte van het gebruikte bureau in overeenstemming was met de desbetreffende NEN-norm voor een bureau met een vaste werkvlakhoogte. Hierbij merkt de Raad op dat er geen verplichting bestaat voor het ter beschikking stellen van een in hoogte instelbaar bureau. Verder is in het genoemde rapport aangegeven dat de bureaustoel verstelbaar was, voldeed aan de gestelde NEN-normen en dat deze stoel, mits juist ingesteld, voor appellante geschikt was. Dat, zoals appellante nog naar voren heeft gebracht, een ander, nieuwer type bureaustoel geschikter voor haar is, doet daar naar het oordeel van de Raad niet aan af. De Raad acht aan-nemelijk dat de val is veroorzaakt door de (onvoorzichtige) wijze waarop appellante met haar handen aan het bureau de stoel naar achteren heeft geduwd.

4.1.3. Gezien hetgeen onder 4.1.1 en 4.1.2 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 terecht ongegrond heeft verklaard.

4.2.1. Bestreden besluit 2 betreft de handhaving van een zelfstandig schadebesluit met betrekking tot schade die door appellante beweerdelijk is geleden in de uitoefening van haar dienstbetrekking. De Raad verwijst voor de hier aan te leggen toetsingsmaatstaf naar zijn uitspraak van 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112.

4.2.2. Niet in geschil is dat appellante op 7 november 2005 tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden ten val is gekomen en dat zij ten gevolge van de val schade heeft opgelopen. Verder staat tussen partijen vast dat het ongeval dat appellante is overkomen niet het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van appellante. Daarom moet de Raad de vraag beantwoorden of de korpsbeheerder zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van appellante op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat appellante in de uitoefening van haar werkzaamheden schade lijdt.

4.2.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de korpsbeheerder zijn stelling dat hij zijn zorgplicht is nagekomen voldoende heeft onderbouwd. Hierbij wijst de Raad er in de eerste plaats op dat, zoals onder 4.1.2 is uiteengezet, het bureau en de bureaustoel voldeden aan de gestelde NEN-normen. Verder wijst de Raad erop dat in het onder 3.1 genoemde rapport van 23 mei 2006 is vermeld dat met de bureaustoel standaard een gebruikersinstructie wordt meegeleverd. De Raad is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de korpsbeheerder in redelijkheid gehouden was voor het gebruik van de werkplek speciale voorzorgsmaatregelen te nemen, dan wel andere waarschuwingen of instructies te verstrekken. De Raad volgt niet het standpunt van appellante dat op de korpsbeheerder de verplichting rustte om voor iedere medewerker die op de desbetreffende flexwerkplek werkzaam was door een arbodeskundige de bureaustoel te laten instellen.

4.2.4. Uit hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.3 is overwogen volgt dat de rechtbank ook het beroep tegen bestreden besluit 2 terecht ongegrond heeft verklaard.

5. Gezien het voorgaande treft het hoger beroep geen doel en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD