Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
09-3803 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid is geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellante. Met het arbeidskundige rapport van 8 september 2008 heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht dat de belasting in genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3803 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 mei 2009, 08/4685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is wegens psychische klachten tijdens zwangerschap uitgevallen voor haar werk als medewerkster publiekszaken. Nadien ontstonden ook rugklachten. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gesteld op 23 juni 2006.

1.2. Appellante is in het kader van een beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 12 maart 2008 onderzocht door de verzekeringsarts S.A.K. Bhaggoe. Na lichamelijk en psychisch onderzoek en met meeweging van de informatie van behandelend psycholoog P.F. van Rees-Grimbert van 25 november 2007, concludeerde Bhaggoe dat er sprake is van rugpijn, aspecifiek chronisch en spanningsklachten. In de twee jaar voor het onderzoek heeft appellante veel sociaal maatschappelijke problemen doorgemaakt, doch in maart 2008 leek zij in rustiger vaarwater te zijn gekomen en zich beter te kunnen aanpassen. De verzekeringsarts nam enkele beperkingen aan ten aanzien van de mentale en fysieke belastbaarheid en legde zijn bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 maart 2008. Vervolgens stelde het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van 7 mei 2008 vast dat appellante met ingang van 24 juni 2008 geen recht had op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

2. In de bezwaarprocedure was bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe aanwezig bij de hoorzitting en kreeg deze beschikking over informatie van de huisarts en de fysiotherapeut. In zijn rapport van 27 augustus 2008 deed hij verslag van zijn bevindingen. Hij concludeerde dat de verzekeringsarts bij de beoordeling zorgvuldig te werk is gegaan en dat appellante geen informatie van medische aard heeft overgelegd waaruit blijkt dat haar gezondheidstoestand en de daaruit voor het verrichten van arbeid voortvloeiende beperkingen op de datum in geding anders waren dan door de verzekeringsarts was aangenomen. Na arbeidskundige herbeoordeling waarbij enkele functies vervielen, verklaarde het Uwv bij besluit van 22 september 2008 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 mei 2008 ongegrond.

3. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante ongeschikt te achten.

4. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Naar mening van appellante heeft de verzekeringsarts in maart 2008 ten onrechte geen informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog. Uit de informatie van Van Rees-Grimbert van 25 november 2007 komt naar voren dat er sprake is van ernstige psychische klachten en persoonlijkheidsproblematiek. Gelet daarop had de verzekeringsarts vier maanden later niet zonder opnieuw informatie op te vragen de belastbaarheid mogen vaststellen. Tevens is appellante van mening dat haar beperkingen ten gevolge van haar fysieke klachten zijn onderschat.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de door de verzekeringsarts meegewogen informatie van de psycholoog van 25 november 2007 wees op een gunstige prognose en dat de verzekeringsarts bij onderzoek op 12 maart 2008, na psychisch onderzoek, heeft vastgesteld dat zich op dat moment geen evidente psychische problematiek voordeed.

Door appellante is niet aangetoond dat bij het medisch onderzoek wezenlijke informatie is misgelopen en is geen informatie ingebracht waaruit kan worden opgemaakt dat haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld.

Evenmin ziet de Raad aanknopingspunten voor het oordeel dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met appellantes fysieke klachten. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie met betrekking tot behandeling in het revalidatiecentrum Rijndam geen ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding, nu het een behandeling betreft die een aanvang heeft opgenomen in 2010.

5.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, geen grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellante. Met het arbeidskundige rapport van 8 september 2008 heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht dat de belasting in genoemde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van A.L de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) A.L. de Gier.

RK