Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
08-7177 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. Herhaalde aanvraag: geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7177 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2008, 08/717 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2010. Voor appellant is mr. Meijer verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant lijdt aan een progressieve spierziekte. Aan hem is met ingang van 4 december 1998 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Voorts is hem over de periode van 4 november 1999 tot en met 3 november 2000 bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van een dieet, van energie, van de telefoon en van een abonnement voor het openbaar vervoer. Bij besluit van 1 november 2000 heeft het College het recht op uitkering van appellant met ingang van

6 oktober 2000 ingetrokken. De uitbetaling van de bijzondere bijstand is met ingang van laatstgenoemde datum eveneens gestaakt. Bij besluit van 1 december 2000 is appellant met ingang van 7 november 2000 wederom bijstand naar de norm voor gehuwden toegekend. Bij besluit van 10 april 2003 heeft het College appellant naar aanleiding van diens aanvraag van 5 december 2002 met ingang van de aanvraagdatum voor onbepaalde tijd bijzondere bijstand toegekend voor dieetkosten, energiekosten en telefoonkosten.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het College de aanvraag van appellant van 20 juli 2004 om verlening van bijzondere bijstand (in de kosten van dieet, energie en telefoon) over de periode van 6 oktober 2000 tot en met 4 december 2002 afgewezen op de grond dat bijstand niet achteraf wordt verleend. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 januari 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor het indienen van een bezwaarschrift vastgestelde termijn. Tegen het besluit van 20 januari 2005 is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Op 1 oktober 2007 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand over de periode van

7 november 2000 tot eind 2002.

1.4. Bij besluit van 18 oktober 2007 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend.

1.5. Het tegen het besluit van 18 oktober 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2. Bij het besluit van 8 oktober 2004 heeft het College afwijzend beslist op de aanvraag van appellant van 20 juli 2004 om hem over de periode van 6 oktober 2000 tot en met 4 december 2002 bijzondere bijstand te verlenen. Die afwijzing is in rechte onaantastbaar geworden. De aanvraag van appellant van 1 oktober 2007 heeft dezelfde strekking als de aanvraag van 20 juli 2004. Naar aanleiding van de aanvraag van 1 oktober 2007 heeft het College de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.3. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, kan deze wijze van besluitvorming door het College niet de weg openen naar een toetsing van het besluit van 11 januari 2008 als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. In een geval als het onderhavige dient de bestuursrechter uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.4. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant gewezen op zijn ziekte en de problemen en spanningen die daaruit voortvloeien. In verband daarmee zijn verklaringen uit 2007 en 2008 overgelegd van dr. I.J.M. de Groot, revalidatiearts te Nijmegen, bij wie appellant sedert 1993 onder behandeling is. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld, aangezien het ziektebeeld van appellant al lange tijd aan het College bekend is. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot zijn besluit van 11 januari 2008 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.5. Naar aanleiding van hetgeen door appellant overigens is aangevoerd stelt de Raad nog vast dat in dit geding niet ter beoordeling voorligt de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 6 oktober 2000 of de door appellant gestelde eerdere pogingen om bijzondere bijstand aan te vragen.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. de Jong.

AV