Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
09/1218 AW + 10/272 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reorganisatie. Toekenning RAP-status. Onvoldoende plaatsingsinspanningen. Aangezien de terugkeer van betrokkene niet voor de hand ligt moet een oplossing worden gevonden door toekenning van een financiële tegemoetkoming aan betrokkene. Volledige compensatie van pensioenverlies, zoals betrokkene wenst, ligt daarbij niet in de rede, omdat dat verlies niet het gevolg is van het vernietigde deel van het besluit van 9 december 2009, maar samenhangt met het FPU-ontslag dat betrokkene, op zijn verzoek, is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1218 AW + 10/272 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2009, 07/2479 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 december 2009 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist en daarbij het bezwaar ongegrond verklaard. Betrokkene heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.S. Andela, werkzaam bij Vijverberg Juristen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.C.M.W. Geuljans, werkzaam bij Recht & Raad Juristen, en door zijn zoon, [naam zoon].

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is in 1996 aangesteld als [naam functie] bij de gemeentelijke dienst Afvalverwerking, afdeling M.O. (mechanisch onderhoud), thans Afval Energie Bedrijf (AEB). Dit was een functie op schaal 5-niveau. Nadat betrokkene enige tijd arbeids-ongeschikt was geweest is hij per 1 april 2004 aangepaste werkzaamheden gaan verrichten als [naam functie B]

1.1. Medio 2005 heeft een reorganisatie plaatsgevonden binnen het AEB. Als gevolg daarvan is betrokkene bij besluit van 23 mei 2005 (hierna: besluit 1) per 1 juli 2005 geplaatst als [naam functie C], bij de afdeling onderhoud. Aan deze functie was eveneens schaal 5 verbonden. Op 8 augustus 2005 is aan betrokkene de functietypering en -waardering van deze functie toegezonden. Bij brief van 16 augustus 2005 is betrokkene meegedeeld dat hij de brief van 8 augustus 2005 als niet verzonden moet beschouwen. Meegedeeld is dat voor 16 september 2005 een juiste typering en waardering zal worden toegestuurd. Dit laatste is niet geschied.

1.2. Nadat besloten was de reguliere onderhoudswerkzaamheden van het AEB uit te besteden, waardoor de functie van betrokkene zou komen te vervallen, heeft hij in oktober 2006 een belangstellingsregistratieformulier ingevuld. Daarop heeft hij aangegeven belangstelling te hebben voor de functie [naam functie D.] Op 20 oktober 2006 heeft appellant betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt hem de boventalligheidstatus toe te kennen (hierna: RAPstatus). Nadat betrokkene hierop zijn zienswijze had ingebracht is bij besluit van 11 december 2006 (besluit 2) aan betrokkene de RAPstatus toegekend. Daarbij is hem besluit 1 alsnog toegezonden. Betrokkene heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar tegen besluit 2 is ongegrond verklaard. Aan betrokkene is per 1 maart 2008 FPU-ontslag verleend, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Betrokkene had naar zijn zeggen echter liever zijn arbeidzaam leven en pensioenopbouw voortgezet.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, kort gezegd omdat appellant het bezwaar van betrokkene tegen besluit 1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aangezien appellant bij het nemen van besluit 2 besluit 1 als rechtens onaantastbaar uitgangspunt heeft genomen kan ook de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 2 niet in stand blijven, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat weliswaar niet kan worden aangetoond dat besluit 1 in mei 2005 of kort daarna aan betrokkene is verzonden, maar hij is daarvan wel op de hoogte gekomen, doordat naar dat besluit is verwezen in de onder 1.1 vermelde brief van 8 augustus 2005. Het bezwaar van betrokkene is ruim na het verstrijken van de op 9 augustus 2005 aangevangen beroepstermijn ingekomen, aldus appellant.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.

4.1. Het hoger beroep kan niet slagen. Weliswaar is in de brief van 8 augustus 2005 verwezen naar het feit dat betrokkene recent een wijziging tewerkstelling zou hebben ontvangen en is verwezen naar de functie [naam functie C], maar deze brief is op 16 augustus 2005 - in zijn geheel - vervallen verklaard. Voor zover er van kan worden uitgegaan dat in de brief van 8 augustus 2005 een bekendmaking van besluit 1 was vervat, is die eveneens komen te vervallen. Om die reden gaat de verwijzing van appellant naar rechtspraak van de Hoge Raad, LJN BF7311, niet op. Voor het overige volstaat de Raad met te verwijzen naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 9 van de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen en in rubriek I vermelde nieuwe beslissing op bezwaar zal de Raad in de beoordeling betrekken.

5.1. Bij dat besluit is inhoudelijk op de bezwaren van betrokkene beslist. Gesteld is dat de functiewijziging per 1 juli 2005 slechts een technische was (in de zin van wijziging van functienaam) maar dat de werkzaamheden dezelfde bleven, zodat goed mogelijk is dat betrokkene daarvan niets heeft gemerkt. Dat betrokkene daarvan abusievelijk niet tijdig op de hoogte is gesteld maakt dat niet anders. Het bezwaar tegen besluit 1 is dan ook ongegrond verklaard.

5.2. Die ongegrondverklaring onderschrijft de Raad, mede gelet op het feit dat tegen de plaatsing als zodanig geen inhoudelijke bezwaren naar voren zijn gebracht. De plaatsing was ook in overeenstemming met hetgeen betrokkene op het eerste belangstellings-registratieformulier had aangegeven: hij koos daarbij voor de functiereeks ondersteuning (en niet: storingsdienst). Dit betekent dat betrokkene met terugwerkende kracht per 1 juli 2005 was geplaatst als [naam functie C].

5.3. Ook het bezwaar tegen besluit 2 is ongegrond verklaard. Vergelijking van de functie [naam functie C] of [naam functie] met de nieuwe functie medior medewerker storingsdienst heeft appellant tot de slotsom geleid dat betrokkene niet als functievolger kan worden beschouwd. Niet alleen is deze laatste functie ingedeeld in schaal 7 - dus twee schalen hoger - maar ook verrichtte betrokkene geen storingswerk-zaamheden en verschilt het opleidingsniveau. Het advies van bureau Baarda berust op een misverstand, nu in dat advies een vergelijking is gemaakt met de functie onderhouds-monteur C, ingedeeld in schaal 7, in plaats van met de functie van betrokkene, te weten [na[naam functie], ingedeeld in schaal 5. Het beroep op het gelijkheids-beginsel heeft appellant afgewezen.

5.4. Betrokkene heeft verklaard dat hij was aangesteld als [naam functie] in schaal 5. Hij heeft erop gewezen dat aan de medewerker storingsdienst in de nieuwe organisatie de schalen 6, 7 en 8 zijn gekoppeld. Het aanvangssalaris van schaal 6 komt overeen met het salaris dat betrokkene verdient. Voorts heeft betrokkene erop gewezen dat er voldoende vacatures waren bij de storingsdienst en dat niet valt in te zien waarom hij niet net als een tweetal met name genoemde collega’s naar de functie van medewerker storingsdienst kon overgaan, zoals hij op het tweede belangstellingsregistratieformulier had aangegeven.

5.5. De Raad heeft uit de gedingstukken afgeleid dat als gevolg van de reorganisatie in 2006 de bezetting van de afdeling onderhoud zou dalen van 39 naar 30 medewerkers. Volgens het Sociaal Plan Afval Energie Bedrijf (hierna: SP) van 15 september 2006 geldt daarbij het principe “mens volgt functie”. Dit betekent dat als functies ongewijzigd blijven of licht gewijzigd worden de werknemer “zijn” functie volgt. Van boventalligheid is sprake in geval van opheffing van de betrekking, verandering in de inrichting van het dienstonderdeel of vermindering van het aantal formatieplaatsen. Blijkens het organogram van de situatie per 1 februari 2006 zouden de 9 functies van [naam functie C] verdwijnen. Toegelicht is dat de door deze medewerkers verrichte werkzaamheden in de toekomst aan een derde worden uitbesteed. De (19) functies van medewerker storingsdienst A, E en W verdwenen eveneens, maar in de nieuwe organisatie zijn die functies teruggekomen als medewerker storingsdienst, medior medewerker storingsdienst en senior medewerker storingsdienst (in totaal 20 functies). De Raad concludeert hieruit dat in het geval van betrokkene geen sprake is van ongewijzigde functies (categorie A) of van licht gewijzigde functies (categorie B1). Zijn functie van [naam functie C] was immers vervallen. Betrokkene kon dan ook niet 1 op 1 worden geplaatst, zoals wel is gebeurd met twee van zijn vroegere collega’s die na 1 juli 2005 werkzaam waren in de storingsdienst. Voor categorie B2 geldt selectie. Voor deze functies komen, volgens het SP, in de eerste plaats in aanmerking de werknemers van de bestaande afdeling van wie de oude functie sterk is gewijzigd of vervallen. Selectie vindt plaats aan de hand van belangstellingsregistratie.

5.6. Hoewel betrokkene heeft opgegeven belangstelling te hebben voor de functie van medior medewerker storingsdienst is niet gebleken dat is getracht betrokkene op die functie te plaatsen. Als deze plaatsing niet mogelijk was, had het voor de hand gelegen ook de functie van medewerker storingsdienst in ogenschouw te nemen. Het argument van appellant dat de verlangde functie 2 schalen hoger was gaat niet op voor de functie van medewerker storingsdienst, een functie in schaal 6. Dat het opleidingsniveau hoger zou zijn heeft betrokkene gemotiveerd betwist met zijn stelling dat hij weliswaar geen MBO-diploma bezit, maar door zijn jarenlange ervaring wel op MBO-niveau werkzaam kan zijn. Appellant heeft dit niet weersproken.

Dat betrokkene op het tweede belangstellingsregistratieformulier ook had opgeschreven een gesprek te willen over de mogelijkheid gebruik te maken van de seniorenregeling kan niet dienen als rechtvaardiging voor het afzien van plaatsingsinspanningen ten aanzien van betrokkene. Betrokkene heeft verklaard dat deelname aan de seniorenregeling financieel ongunstig voor hem bleek. Hij heeft er voorts op gewezen dat hij voor 1 juli 2005 tevens storingswerkzaamheden verrichtte. De Raad heeft op grond van de stukken vastgesteld dat inderdaad eerst per 1 juli 2005 een aparte storingsdienst bij de afdeling onderhoud tot stand kwam, zodat deze stelling van betrokkene aannemelijk voorkomt. Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat het besluit waarbij betrokkene de RAPstatus werd toegekend onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat dit niet had mogen worden gehandhaafd.

5.7. Het vorenstaande betekent dat het beroep dat betrokkene wordt geacht te hebben ingesteld tegen de nieuwe beslissing op bezwaar voor wat betreft besluit 2 gegrond moet worden verklaard. Dat besluit wordt in zoverre vernietigd en appellant wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad. Voor het geval deze beslissing ten gunste van betrokkene uitvalt, merkt de Raad op dat terugkeer van betrokkene niet voor de hand ligt en een oplossing moet worden gevonden door toekenning van een financiële tegemoetkoming aan betrokkene. Volledige compensatie van pensioenverlies, zoals betrokkene wenst, ligt daarbij niet in de rede, omdat dat verlies niet het gevolg is van het vernietigde deel van het besluit van 9 december 2009, maar samenhangt met het FPU-ontslag dat betrokkene, op zijn verzoek, is verleend.

6. De Raad ziet voorts aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 december 2009 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover dat betrekking heeft op besluit 2;

Draagt appellant op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 433,-.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD