Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09-6405 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verlenging wachtgelduitkering. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Algemeen secretaris-directeur van de Pensioen- en Uitkeringsraad bevoegd was tot het nemen van het besluit van 3 februari 2009 en van het bestreden besluit. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6405 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Algemeen secretaris-directeur van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2009, 09/3176 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V. te Heerlen. Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft betrokkene bij besluit van 21 april 1997 op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 mei 1997 ontslag verleend uit zijn functie van financieel verificateur bij de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: PUR). Bij besluit van 12 mei 1997 is aan betrokkene op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) wachtgeld toegekend voor de periode 1 mei 1997 tot 6 november 2008. Op 29 december 2008 heeft betrokkene appellant verzocht de duur van de wachtgelduitkering onder toepassing van artikel 6a, vijfde lid, van het Rwb te verlengen.

1.2. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft appellant het verzoek van betrokkene afgewezen.

1.3. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2009. Bij besluit van 28 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft het besluit van 3 februari 2009 herroepen. Zij heeft voorts bepaald dat appellant met toepassing van artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek van betrokkene dient door te sturen naar de minister van Binnenlandse Zaken, nu niet appellant, doch deze minister bevoegd is om op een verzoek tot toepassing van artikel 6a, vijfde lid, van het Rwb te beslissen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij bevoegd is om op het verzoek van betrokkene tot toepassing van artikel 6a, vijfde lid, van het Rwb te beslissen. Appellant heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat het besluit van 12 mei 1997 tot toekenning van het wachtgeld niet door de minister van Binnenlandse Zaken, maar namens de directeur van de PUR is genomen. Volgens appellant heeft de rechtbank artikel 15, tweede lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: Wet PUR), waarin de bevoegdheid tot het nemen van rechtspositionele besluiten met betrekking tot medewerkers van de PUR is geregeld, onjuist uitgelegd.

3.2. Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant bevoegd was tot het nemen van het besluit van 3 februari 2009 en van het bestreden besluit. In artikel 15, tweede lid, van de Wet PUR is bepaald dat de regelingen voor rijksambtenaren van overeenkomstige toepassing zijn op de medewerkers van de PUR. Over de bevoegdheid tot het nemen van besluiten is bepaald dat deze wordt uitgeoefend door het bestuur van de PUR als in de regelingen voor rijksambtenaren de bevoegdheid is neergelegd bij een andere minister dan de minister van Binnenlandse Zaken. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wet PUR (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 870, nr. 3) is beschreven dat de directeur (ook) taken heeft op het gebied van de rechtspositie van de medewerkers, omdat hij bij de uitvoering van de in artikel 15, tweede lid, van de Wet PUR bedoelde regelingen vaak als het bevoegd gezag zal optreden. Dit, in onderling verband beschouwd, leidt tot de conclusie dat de directeur (ook) bevoegd geacht moet worden tot het nemen van besluiten, waartoe in de overeenkomstige regelingen voor rijksambtenaren de minister van Binnenlandse Zaken bevoegd is, zoals in artikel 6a, vijfde lid, van het Rwb. De minister van Binnenlandse Zaken heeft in zijn brief van

7 april 2010 overigens te kennen gegeven niet bevoegd te zijn tot het nemen van besluiten over wachtgeldrechten van (oud) medewerkers van de PUR.

4.2. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak kan geen stand houden.

5. Partijen hebben ingestemd met een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De Raad ziet ook overigens geen gronden de zaak ter nadere behandeling naar de rechtbank terug te wijzen.

5.1. Ter zitting heeft appellant desgevraagd verklaard geen beleid te voeren betreffende verzoeken tot verlenging van de wachtgeldperiode op grond van artikel 6a, vijfde lid, van het Rwb. Een zeer korte overbruggingsperiode tussen het einde van de wachtgeldperiode en de aanvang van een nieuwe, reeds verworven functie zou volgens appellant mogelijk als bijzonder geval kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke situatie is echter hier niet aan de orde.

5.2. De Raad ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding om een bijzonder geval aan te nemen. Betrokkenes stelling dat hij bij de PUR een zó specifieke functie vervulde dat hij daardoor in de jaren na zijn ontslag geen andere functie heeft kunnen krijgen, levert geen bijzonder geval op reeds omdat deze functie niet zo specifiek was. Los daarvan blijft een dergelijk argument na verloop van tijd niet houdbaar en dit doet zich hier voor. Ook de stelling van betrokkene dat hij ziek is geworden voor afloop van zijn wachtgeldperiode levert geen bijzonder geval op. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft meegedeeld, wordt in een dergelijke situatie voorzien door de arbeidsongeschiktheidswetgeving.

Omdat er geen sprake is van een bijzonder geval, komt appellant niet de bevoegdheid toe om toepassing te geven aan artikel 6a, vijfde lid, van het Rwb.

5.3. Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A.J. Schaap en A.G. Oosthoek als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. Mos.

HD