Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
08-7324 AW, 09-2750 AW en 10-3343 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2008:BG6536, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering van de korpsbeheerder om aansprakelijkheid te erkennen voor de buiten de rechtspositionele aanspraken vallende schade van betrokkene. Anders dan de rechtbank meent de Raad dat het onderzoek dat de korpsbeheerder ter voorbereiding van het bestreden besluit heeft verricht, al toereikend was voor het voldoen van de zorgplicht, en in de nakoming van zijn verplichtingen jegens betrokkene niet is tekortgeschoten. Van een onrechtmatige gedraging van de collega die tot aansprakelijkheid aan de zijde van de korpsbeheerder zou leiden, is derhalve niet gebleken. Het is aan de korpsbeheerder om ter zake te beslissen, ongeacht de omvang van dekking door verzekeraar W. Het ligt op de weg van de korpsbeheerder om een uitweg te zoeken uit de impasse die het gevolg is van het verschil van mening dat tussen betrokkene en de verzekeraar is ontstaan over de bruikbaarheid van het in opdracht van de laatste verrichte medisch onderzoek en zich tevens inspant om consensus te bereiken over (het specialisme van) de in te schakelen deskundige. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond. Vernietiging besluiten van 16 maart 2009 en 19 augustus 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7324 AW, 09/2750 AW en 10/3343 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Zuid (hierna: korpsbeheerder),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 november 2008, 08/500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 22 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

De korpsbeheerder heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De korpsbeheerder heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een tweetal besluiten ingezonden van respectievelijk 16 maart 2009 en 19 augustus 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2010. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.F.Th. de Moor, advocaat te Middelburg, en F. Gunther, werkzaam bij de politieregio Limburg Zuid. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R.M.W.H. Bedaux, advocaat te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als [naam functie] van politie bij de politieregio Limburg Zuid. Op 13 mei 2003 nam hij deel aan een doorzoeking van een bedrijfspand omdat het vermoeden bestond van aanwezigheid van een hennepplantage. Tijdens deze controle is betrokkene op een bovenverdieping door een luik naar beneden gevallen. Betrokkene heeft op de bewuste dag nog doorgewerkt en is ook de volgende dag nog op het werk verschenen, waarna hij zich heeft ziek gemeld. In juni 2003 heeft de korpsbeheerder een melding van het ongeval gedaan bij zijn ongevallenverzekeraar, W. Bij besluit van 14 juli 2003 heeft de korpsbeheerder het ongeval aangemerkt als dienstongeval. Met ingang van 1 juli 2005 is aan betrokkene eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid wegens ziekte.

1.2. Bij brief van 18 oktober 2005 heeft betrokkene de korpsbeheerder verzocht volledige aansprakelijkheid te erkennen en volledig schadevergoeding te betalen, nog afgezien van de rechtspositieregeling behorend bij het dienstongeval. Bij besluit van 4 april 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2008 (hierna: bestreden besluit), heeft de korpsbeheerder dat verzoek afgewezen. Aangegeven is dat hij als werkgever niet gehouden is betrokkene verder tegemoet te komen dan past bij diens rechtspositionele aanspraken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en de korpsbeheerder opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. Zij heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder zich in het bestreden besluit ten onrechte heeft beperkt tot een oordeel over de eventuele aansprakelijkheid op grond van schending van de op de werkgever rustende zorgplicht. Volgens de rechtbank had de korpsbeheerder tevens moeten ingaan op de rechtspositionele aanspraken op vergoedingen, nu betrokkene zich zowel bij de aansprakelijkstelling als in bezwaar uitdrukkelijk had beroepen op de artikelen 54 en 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpsbeheerder met betrekking tot de aansprakelijkheid onvoldoende onderzoek heeft verricht ter voorbereiding van het bestreden besluit.

2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder een hernieuwd onderzoek uitgevoerd naar de toedracht van het ongeval en, op basis van de resultaten daarvan, op 16 maart 2009 een nieuw besluit genomen betreffende zijn aansprakelijkheid voor de uit het ongeval voortvloeiende schade van betrokkene. Dit besluit houdt in een hernieuwd van de hand wijzen van deze aansprakelijkheid. Op 19 augustus 2009 heeft de korpsbeheerder een besluit genomen betreffende de aanspraken van betrokkene op grond van artikel 54a van het Barp, inhoudende het buiten behandeling stellen van het verzoek om een vergoeding op grond van dat artikel vanwege het ontbreken van de voor afhandeling daarvan vereiste gegevens.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 4 juli 2002, LJN AE5831en TAR 2002, 145), betekent het aanmerken als dienstongeval in de zin van artikel 54 en artikel 54a van het Barp nog niet dat, op grond van de hierna onder 3.2 te bespreken norm, ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die de gelaedeerde als gevolg van het ongeval heeft geleden of wellicht zal lijden. Beide genoemde grondslagen voor schadevergoeding kunnen naast elkaar bestaan en vergen gezien de verschillen tussen beide normen een afzonderlijke toetsing, die eventueel in afzonderlijke besluiten zijn beslag kan krijgen.

3.1.1. Blijkens het verzoek van betrokkene van 18 oktober 2005 had hij daarmee het oog op andere schade dan die waarop de rechtspositionele voorschriften zien. Met betrekking tot zijn mogelijke aanspraken op grond van, onder meer, artikel 54a van het Barp, heeft betrokkene in zijn latere brief van 11 april 2006 verwezen naar reeds lopende contacten met de korpsbeheerder. In de bezwaarfase heeft betrokkene een aantal wettelijke bepalingen genoemd die naar zijn oordeel in zijn geval van toepassing dan wel anderszins van belang waren, waaronder ook de artikelen 54 en 54a van het Barp. Een en ander noopte de korpsbeheerder er naar het oordeel van de Raad niet toe om specifiek bij de afhandeling van het verzoek van 18 oktober 2005, naast de in dat verzoek gestelde aansprakelijkheid, ook de rechtspositionele aanspraken van betrokkene te beoordelen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit zich tot de aanspraken op grond van artikel 54 en artikel 54a van het Barp had moeten uitstrekken. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

3.2. Met betrekking tot de in het bestreden besluit neergelegde weigering tot erkenning van aansprakelijkheid geldt de toetsingsmaatstaf die is neergelegd in de uitspraak van de Raad van 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. Tussen partijen staat vast dat van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van betrokkene geen sprake is geweest, zodat het geding zich toespitst op de vraag of de korpsbeheerder heeft aangetoond dat hij als werkgever aan zijn zojuist omschreven zorgplicht heeft voldaan.

3.2.1. Anders dan de rechtbank meent de Raad dat het onderzoek dat de korpsbeheerder ter voorbereiding van het bestreden besluit heeft verricht, al toereikend was voor de beantwoording van de genoemde vraag, en dat de korpsbeheerder met dat onderzoek afdoende heeft aangetoond dat hij in de nakoming van zijn hierboven omschreven verplichtingen jegens betrokkene niet is tekortgeschoten.

3.2.2. Blijkens het mutatierapport is de doorzoeking op 13 mei 2003 vooraf gegaan door onderzoek door zowel de brandweer als Essent, verricht met het oogmerk de betrokken politieambtenaren in staat te stellen de ruimtes van het bedrijfspand veilig te betreden. Er is sprake geweest van inzet van vier gekwalificeerde politieambtenaren: naast betrokkene, een ervaren [naam functie], namen drie andere [naam functie] deel aan de controle. Betrokkene heeft verklaard dat hij aan zijn val geen andere herinneringen bewaart dan dat er op het bewuste moment duisternis heerste. Op dit punt hebben de bij de controle aanwezige collega’s, die naar aanleiding van het schadeverzoek van betrokkene allen in de maanden juli en augustus 2007 zijn gehoord, verklaard dat het volstrekt niet gebruikelijk is een dergelijke doorzoeking in het donker uit te voeren, dat zij aan een dergelijke actie zeker niet zouden deelnemen en dat van een instructie daartoe dan ook geen sprake kan zijn geweest. Naar zij voorts hebben gesteld en naar indertijd ook is verklaard door hun leidinggevende en ter zitting van de Raad door de korpsbeheerder is bevestigd, behoren staaflampen bij een doorzoeking als de onderhavige tot de standaarduitrusting. De Raad acht het, ook gezien de herinnering van één van de betrokken politieambtenaren aan het vallen van een staaflamp tijdens de controle, aannemelijk dat deze ook tijdens de bewuste actie aanwezig zijn geweest.

3.2.3. De Raad is van oordeel dat daarmee is gebleken van toereikende door de korpsbeheerder getroffen voorzorgsmaatregelen. Daaraan doet niet af dat de door de collega’s van betrokkene afgelegde verklaringen niet alle feiten met betrekking tot de toedracht van het ongeval boven water hebben gehaald. Op het punt van de door betrokkene gestelde duisternis is doorslaggevend dat staaflampen beschikbaar waren. Buiten beschouwing kan blijven of op de bovenverdieping waarvandaan de val van de betrokkene plaatsvond, verlichting aanwezig was, en zo ja, of deze was ontstoken, en of er, indien het een of het ander niet het geval was, van beneden voldoende licht kwam. Voor de hier aan de orde zijnde vraag of de korpsbeheerder aan zijn zorgplicht jegens betrokkene heeft voldaan, is evenmin van belang of al dan niet een zogeheten vlizotrap aanwezig was, en op welke wijze betrokkene voorafgaand aan de val de bovenverdieping heeft bereikt. De Raad merkt in dat verband op dat het met het oog op de veiligheid van de betrokken politieambtenaren voorafgaand aan de controle opvragen van de bouw-tekeningen van het pand naar zijn oordeel niet van de korpsbeheerder kon worden gevergd, alleen al omdat gelet op de gerezen verdenking de kans groot was dat de situatie ter plaatse afwijkingen van die tekeningen zou vertonen.

3.2.4. Betrokkene heeft zich verder nog beroepen op de norm zoals omschreven in de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2001 (LJN AD6369 en TAR 2002, 21), op grond waarvan een bestuursorgaan, kort gezegd, aansprakelijk is voor schade als gevolg van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een ondergeschikte. De enkele stelling van betrokkene dat, nu de exacte toedracht van het ongeval niet is vastgesteld, ook niet valt uit te sluiten dat zijn val is veroorzaakt door bijvoorbeeld een duw van de eveneens op de bovenverdieping aanwezige collega, geeft de Raad echter geen reden tot twijfel aan de verklaringen van de overige aanwezigen dat betrokkene, om ruimte te maken voor de bewuste collega, zelf een stap naar achteren heeft gedaan. Van een onrechtmatige gedraging van de bedoelde collega die tot aansprakelijkheid aan de zijde van de korpsbeheerder zou leiden, is derhalve niet gebleken.

3.2.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de weigering van de korpsbeheerder om aansprakelijkheid te erkennen voor de buiten de rechtspositionele aanspraken vallende schade van betrokkene, in rechte stand houdt.

4. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift aangegeven incidenteel hoger beroep in te willen stellen. Nu het instellen van incidenteel hoger beroep niet tot de mogelijkheden behoort, gaat de Raad daaraan voorbij. Gezien de uitkomst van het hoger beroep, komt de Raad overigens ook niet toe aan hetgeen betrokkene bij zijn incidenteel hoger beroep heeft aangevoerd, kort gezegd inhoudende dat de rechtbank had moeten ingaan op de hoogte van de schadevergoeding.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard. Als gevolg van de vernietiging van de aangevallen uitspraak komt aan de besluiten van 16 maart 2009 en 19 augustus 2009 die de korpsbeheerder ter uitvoering van die uitspraak heeft genomen en die in lijn met het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geding dienen te worden betrokken, de rechtsgrond te ontvallen, zodat deze besluiten moeten worden vernietigd. De Raad merkt overigens op dat uit de vernietiging van het besluit van 19 augustus 2009 niet voortvloeit dat omtrent de rechtspositionele aanspraken van betrokkene, en met name omtrent die ingevolge artikel 54a van het Barp, niet meer behoeft te worden geoordeeld. Het is aan de korpsbeheerder om ter zake te beslissen, ongeacht de omvang van dekking door verzekeraar W. Het ligt daarom op de weg van de korpsbeheerder om een uitweg te zoeken uit de impasse die het gevolg is van het verschil van mening dat tussen betrokkene en de verzekeraar is ontstaan over de bruikbaarheid van het in opdracht van de laatste verrichte medisch onderzoek. Het ligt in de rede dat om uit deze impasse te komen, de korpsbeheerder zich inspant om consensus te bereiken over (het specialisme van) de in te schakelen deskundige.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Vernietigt de besluiten van 16 maart 2009 en 19 augustus 2009.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A.J. Schaap en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2010.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD