Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3466

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09/429 AW + 09/903 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sollicitatie van betrokkene is niet verder in behandeling genomen, omdat hij niet beschikt over het voor de functie van professional vereiste certificaat. Ten aanzien van de door de rechtbank aangehaalde brief van 20 september 1999, gericht aan de ondernemingsraad, overweegt de Raad dat daarin door de korpschef aan de ondernemingsraad wordt voorgesteld een aantal collega’s die reeds vóór 1 december 1994 tot hoofdagent waren bevorderd te ontheffen van die functie-eis. Gelet op de inhoud overigens van de brief en het feit dat daarin over “collega’s” wordt gesproken, kan de Raad die brief niet anders lezen dan dat de te verlenen ontheffing slechts betrekking had op hoofdagenten, die op dat moment in dienst waren van het korps. Betrokkene, zo leidt de Raad af uit hetgeen hij op de hoorzitting heeft verklaard, was niet bekend met het bestaan van de brief van 20 september 1999 toen hij de brief van 8 oktober 2004 ontving. Het had op de weg van betrokkene gelegen om, toen hij alsnog kennis nam van de brief aan de ondernemingsraad en die bij hem onduidelijkheden opriep, zich daarover te verstaan met het bevoegde gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/429 AW en 09/903 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2008, 08/906 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 27 januari 2009 een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland. Voor betrokkene is verschenen mr. M. Sander, werkzaam bij de politievakorganisatie ACP.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, destijds werkzaam in de rang van hoofdagent bij de politieregio [regio 1], is met ingang van 1 oktober 2001 aangesteld in de functie van specialist bij de dienst Verkeerspolitie van de politieregio Amsterdam-Amstelland, eveneens in de rang van hoofdagent. Bij brief van 8 oktober 2004 is betrokkene namens de korpschef meegedeeld dat hij niet beschikt over het voor hoofdagenten voorgeschreven certificaat generalist (hierna: certificaat). Indien hij beschikte over een ontheffing, werd hem verzocht die op te sturen. Tevens is hem daarbij meegedeeld dat, zo hij niet over een blijvende ontheffing beschikte, voor hem het volgende gold: omdat het certificaat voor zijn huidige functie niet als functievereiste gold, werd hem niet opgedragen dit alsnog te behalen. Hij mocht hieruit echter niet afleiden dat ook voor hem een ontheffing of vrijstelling geldt. In de toekomst zou het niet beschikken over het certificaat een belemmering in zijn carrière kunnen vormen. Met het oog daarop werd het behalen van het certificaat wel aanbevolen.

1.2. Op 4 september 2007 heeft betrokkene gesolliciteerd naar de functie van professional bij het Bureau Verkeer van de dienst Controle Infrastructuur Verkeer. Bij besluit van 26 september 2007 is betrokkene meegedeeld dat zijn sollicitatie niet verder in behandeling wordt genomen, omdat hij niet beschikt over het voor de functie van professional vereiste certificaat. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 januari 2008.

2.1. De rechtbank heeft het door betrokkene tegen dat besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht betrokkene ervan uitgaan dat voor hem het vereiste van een certificaat niet gold en heeft appellant in redelijkheid niet kunnen beslissen om op grond van het ontbreken van het certificaat de sollicitatieprocedure te beëindigen. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar een brief van 20 september 1999 van de korpschef aan de ondernemingsraad, waarin wordt voorgesteld aan personen die al vóór 1994 hoofdagent waren en niet beschikken over het certificaat, ontheffing te verlenen. Uit die brief blijkt volgens de rechtbank niet dat dit alleen geldt voor hoofdagenten die op 1 januari 1994 in dienst waren bij de politieregio Amsterdam-Amstelland. Nu betrokkene bij zijn indiensttreding in 2001 niet is geïnformeerd over het feit dat hij diende te beschikken over het certificaat mocht hij ervan uitgaan dat de mededelingen in de brief van 8 oktober 2004 ten aanzien van degenen, die niet over een ontheffing beschikken, niet op hem van toepassing waren. Ook heeft appellant volgens de rechtbank niet duidelijk gemaakt waarom er een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die vóór 1 januari 1994 hoofdagent zijn geworden en toen al in dienst waren bij de politieregio en degenen, zoals betrokkene, die wel voor 1994 hoofdagent zijn geworden maar pas na die tijd in dienst van de politieregio Amsterdam-Amstelland zijn getreden. Naar het oordeel van de rechtbank is er op dit punt sprake van een willekeurig onderscheid.

2.2. In hoger beroep betwist appellant, onder verwijzing naar de brief van 8 oktober 2004, dat betrokkene ervan mocht uitgaan dat het vereiste van het certificaat niet voor hem gold. Met het aanbrengen van voornoemde beperking heeft appellant zich naar zijn opvatting niet schuldig gemaakt aan willekeur en is hij gebleven binnen de grenzen van zijn beleidsvrijheid. Volgens appellant kan niet worden gezegd dat elders opgedane kennis, kunde en ervaring door appellant in gelijke mate gewaardeerd moet worden, nu de aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden tussen de korpsen onderling sterk uiteen kan lopen.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de functie waarnaar betrokkene heeft gesolliciteerd als functie-eis onder meer geldt het bezit van het certificaat en dat betrokkene niet aan die eis voldoet. Hoewel de in de advertentie opgenomen zin “Indien uw politie-opleiding is gestart tussen 1 december 1994 en 1 januari 1999, dan dient u in het bezit te zijn van een generalistencertificaat.” verwarring zou kunnen wekken, heeft betrokkene hieruit niet zonder meer het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat hij, nu hij zijn opleiding al lang vóór 1994 had afgesloten, niet aan voornoemde functie-eis behoefde te voldoen. Betrokkene was namelijk eerder bij brief van 8 oktober 2004 erop geattendeerd dat hij over het certificaat diende te beschikken, indien hij in de toekomst zou solliciteren op een functie, waarvoor dat een vereiste was.

3.2. Aan betrokkene kan worden toegegeven dat bij de brief van 8 oktober 2004 kennelijk niet is onderkend dat betrokkene eerst in 2001 in dienst is getreden, zodat het vermelde in de eerste twee alinea’s van die brief niet geheel correct is, maar dit biedt geen grond voor de veronderstelling dat de rest van de brief niet voor hem zou gelden. Hij heeft daaruit dan ook niet kunnen afleiden dat hij over een ontheffing beschikte, dan wel dat hem het niet beschikken over het certificaat in de toekomst niet zal worden tegengeworpen. Het tegendeel is hem uitdrukkelijk voorgehouden.

3.3. Ten aanzien van de door de rechtbank aangehaalde brief van 20 september 1999, gericht aan de ondernemingsraad, overweegt de Raad dat daarin door de korpschef aan de ondernemingsraad wordt voorgesteld een aantal collega’s die reeds vóór 1 december 1994 tot hoofdagent waren bevorderd te ontheffen van die functie-eis. Gelet op de inhoud overigens van die brief en het feit dat daarin over “collega’s” wordt gesproken, kan de Raad die brief niet anders lezen dan dat de te verlenen ontheffing slechts betrekking had op hoofdagenten, die op dat moment in dienst waren van het korps. Betrokkene, zo leidt de Raad af uit hetgeen hij op de hoorzitting heeft verklaard, was niet bekend met het bestaan van de brief van 20 september 1999 toen hij de brief van 8 oktober 2004 ontving. Het had op de weg van betrokkene gelegen om, toen hij alsnog kennis nam van de brief aan de ondernemingsraad en die bij hem onduidelijkheden opriep, zich daarover te verstaan met het bevoegde gezag.

3.4. Gelet op het voorgaande onderschrijft de Raad niet het oordeel van de rechtbank dat betrokkene gelet op de inhoud van de brief van 20 september 1999 ervan mocht uitgaan dat voor hem het vereiste van het certificaat niet gold.

3.5. De Raad volgt de rechtbank evenmin in haar oordeel dat er sprake is van een willekeurig onderscheid tussen personen die voor 1 januari 1994 hoofdagent zijn geworden en toen al bij appellant in dienst waren en degenen, zoals betrokkene, die wel voor 1994 hoofdagent zijn geworden, maar pas na die tijd in dienst zijn getreden. De Raad sluit zich aan bij hetgeen appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft in redelijkheid kunnen besluiten voor ontheffing slechts in aanmerking te laten komen hoofdagenten die konden bogen op “Amsterdamse” kennis, kunde en ervaring.

4.1. Uit het vorenstaande volgt dat appellant bij het bestreden besluit kon besluiten de sollicitatie van betrokkene niet verder in behandeling te nemen. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van betrokkene dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

4.2. Nu de aangevallen uitspraak niet in stand blijft, ontvalt de grondslag aan de ter uitvoering van die uitspraak genomen nieuwe beslissing op bezwaar van 27 januari 2009, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Vernietigt het besluit van 27 januari 2009.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

HD