Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09-3350 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3350 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn dochter [G.K.A], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2009, 08/3481 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

Zorgkantoor Zuidoost-Brabant (hierna: Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellant is verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan [G.K.A], dochter van appellant, geboren op [geboortedatum], is ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) een persoonsgebonden budget toegekend voor de periode van

1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 voor de functies van activerende begeleiding en ondersteunende begeleiding voor in totaal € 17.861,02.

1.2. Op 1 juni 2007 is het persoonsgebonden budget voortijdig beëindigd als gevolg van de opname van [G.K.A] in een AWBZ-instelling. Het budget is vervolgens herberekend naar een bedrag van € 7.438,02.

1.3. Op 29 januari 2008 heeft het Zorgkantoor het verzoek van appellant ontvangen om voor de activerende begeleiding de zorg in natura om te zetten in een persoonsgebonden budget. Bij brief van 14 februari 2008 heeft het Zorgkantoor appellant meegedeeld zijn verzoek niet in behandeling te nemen, omdat er geen persoonsgebonden budget kan worden toegekend indien een persoon langdurig in een instelling verblijft.

1.4. Appellant heeft tegen de brief van 14 februari 2008 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar, gedagtekend op 31 maart 2008, is door het Zorgkantoor ontvangen op 1 april 2008.

1.5. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant onder verwijzing naar artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

1.6. Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft het Zorgkantoor, onder intrekking van het besluit van 4 juli 2008, opnieuw op de bezwaren van appellant beslist. Het Zorgkantoor heeft de bezwaren van appellant opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft het Zorgkantoor het verzoek om onkostenvergoeding van appellant afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gericht tegen het besluit - waarbij het Zorgkantoor het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het te laat indienen van een bezwaarschrift - ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift tegen de brief van 14 februari 2008 niet tijdig is ingediend en dat hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende reden geeft om het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de brief van 14 februari 2008 geen besluit in de zin van de Awb is, dat er nog geen bezwaartermijn is gaan lopen en dat hij nog steeds wacht op een formeel besluit van het Zorgkantoor.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ten aanzien van de vraag of de brief van het Zorgkantoor van 14 februari 2008 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb overweegt de Raad als volgt.

4.1.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb kan tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van die wet een bezwaarschrift worden ingediend.

4.1.2. Het begrip besluit is in artikel 1:3 van de Awb gedefinieerd als ‘een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling’. Verder is in het tweede en derde lid van artikel 1:3 van de Awb bepaald dat de afwijzing van een aanvraag om een besluit te nemen dat niet van algemene strekking is, een beschikking is.

4.1.3. Ingevolge artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (hierna: Regeling) weigert het Zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget, indien de verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen anders dan terzake van kortdurend verblijf in een instelling als bedoeld in de AWBZ of de Zorgverzekeringswet zal verblijven.

4.1.4. Bij schrijven van 14 februari 2008 heeft het Zorgkantoor geweigerd het verzoek van appellant om verlenen van een persoonsgebonden budget te honoreren. Deze weigering, die een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft, is onmiskenbaar gericht op rechtsgevolg. Het Zorgkantoor heeft toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Dat onderaan de brief van 14 februari 2008 geen rechtsmiddelenclausule is vermeld, doet hieraan niet af. Dit betekent dat de beslissing om de aanvraag van appellant niet te honoreren een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is.

4.2. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het tegen het besluit van 14 februari 2008 ingediende bezwaar van appellant overweegt de Raad het volgende.

4.2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

4.2.2. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van het tweede lid van artikel 6:9, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2.3. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.4. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat het primaire besluit dateert van 14 februari 2008 en op die datum op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat de bezwaartermijn op 15 februari 2008 is aangevangen en dat de laatste dag, waarop appellant zijn bezwaarschrift tijdig had kunnen indienen, 27 maart 2008 is. Nu het bezwaarschrift eerst op 31 maart 2008 is ingediend en op 1 april 2008 door het Zorgkantoor is ontvangen staat vast dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is overschreden.

4.2.5. In de door appellant aangevoerde omstandigheden ziet de Raad evenals de rechtbank geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Daartoe overweegt de Raad dat het feit dat het appellant niet duidelijk was dat sprake was van een (afwijzend) besluit niet kan leiden tot een andersluidende conclusie. Ter zitting heeft appellant erkend dat hij uit de brief van 14 februari 2008 in ieder geval heeft begrepen dat zijn verzoek niet werd gehonoreerd. Van belang is in dit verband dat een afwijzend besluit een andere vorm kent dan de voor appellant tot dan toe bekende toewijzende besluiten van het Zorgkantoor. Vanwege de ontvangst van de voornoemde besluiten van het Zorgkantoor wordt appellant geacht op de hoogte te zijn van de tegen een besluit in te dienen rechtsmiddelen en de termijn waarbinnen bezwaar dient te worden gemaakt.

4.3. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) J. Waasdorp.

AV