Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
09-3340 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatiebesluit. De medisch adviseur van CIZ heeft zijn advies dat het verlenen van de door appellant gewenste zorg ingevolge de AWBZ pas doelmatig is wanneer eerst een voorliggende behandeling voor het verslavingsprobleem van appellant wordt afgerond, gebaseerd op een dossierstudie en op uitgebreide informatie van de behandelende sector. Appellant wil voor zijn verslavingsproblematiek behandeld worden in de privékliniek Smith en Jones. Dat déze kliniek - die geen instelling is in de zin van de Wet toelating zorginstellingen - door de meeste zorgverzekeraars niet wordt vergoed op grond van de Zorgverzekeringswet, doet niet af aan het feit dat de Zorgverzekeringswet voor behandeling van verslavingsproblematiek een voorliggende voorziening biedt. Toekenning ondersteunende begeleiding is voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3340 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 mei 2009, 08/5675 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellant is niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus en M. van Veenendaal, beiden werkzaam bij CIZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum], is bekend met lichamelijke en psychische beperkingen. In verband hiermee is hij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bij besluit van

9 november 2007 geïndiceerd voor:

- activerende begeleiding algemeen, 0 tot 1,9 uur per week (klasse 1) van 23 november 2007 tot 22 november 2008;

- ondersteunende begeleiding algemeen, 2 tot 3,9 uur per week (klasse 2) van 23 november 2007 tot 22 november 2008.

1.2. Bij besluit van 24 juni 2008 heeft CIZ het tegen het besluit van 9 november 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 juni 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat CIZ de zorgbehoefte van appellant op de door appellant aangevoerde punten onjuist heeft ingeschat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft CIZ op goede gronden besloten dat er voor appellant een voorliggende voorziening in de vorm van behandeling ten laste van de Zorgverzekeringswet bestaat en dat de keuze van appellant om voor behandeling van zijn verslavingsproblematiek te kiezen voor een privékliniek, voor zijn eigen rekening en risico dient te komen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in de beoordeling is uitgegaan van de vraag of CIZ in redelijkheid het advies van de medisch adviseur heeft kunnen volgen, dat het verlenen van de door appellant gewenste zorg ingevolge de AWBZ pas doelmatig is wanneer eerst een voorliggende behandeling voor het verslavingsprobleem van appellant wordt afgerond. Daarmee heeft de rechtbank volgens appellant niet op grond van het beroepschrift en de overige stukken uitspraak gedaan (artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht). Voorts bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat CIZ zorgvuldig heeft gemotiveerd waarom het toegewezen aantal uren voor ondersteunende begeleiding voldoende is en appellant geen aanspraak heeft op activerende begeleiding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

4.1.2. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

4.1.3. Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit).

4.1.4. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d en e, van het Besluit bepaalt dat de verzekerde, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling, aanspraak heeft op ondersteunende begeleiding als omschreven in artikel 6, en activerende begeleiding als omschreven in artikel 7.

4.1.5. Ondersteunende begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit omvat ondersteunende activiteiten in verband met onder meer een psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving, te verlenen door een instelling.

4.1.6. Activerende begeleiding is ingevolge artikel 7 van het Besluit gericht op herstel of voorkomen van verergering van gedrags- of psychische problematiek of het omgaan met de gevolgen van een aandoening, beperking of een handicap. Blijkens de toelichting bij deze bepaling wordt de verzekerde met activerende begeleiding geleerd om te gaan met de (gevolgen van de) aandoening, beperking of handicap.

4.1.7. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit bestaat de aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

4.2. Mede gelet op de ter zitting gegeven uitleg door de gemachtigde van CIZ begrijpt de Raad de motivering van het besluit op bezwaar van 24 juni 2008 aldus, dat de behandeling van de verslavingsproblematiek zorg is die bekostigd wordt uit de Zorgverzekeringswet, zodat daarvoor een voorliggende voorziening bestaat. Activerende begeleiding wordt niet doelmatig geacht, zolang de verslavingsproblematiek niet is behandeld. In aanvulling op en naast de behandeling van die problematiek wordt wel ondersteunende begeleiding noodzakelijk geacht voor 1,5 uur per week. Niettemin wordt het besluit van 9 november 2007 gehandhaafd, teneinde appellant niet in een mindere positie te brengen ten opzichte van de situatie dat hij geen bezwaar had gemaakt.

4.3. Anders dan appellant meent heeft de rechtbank artikel 8:69 van de Awb niet geschonden. Gelet op het feit dat een in het besluit op bezwaar van 24 juni 2008 gegeven weigeringsgrond is dat de aangevraagde zorg niet doelmatig is als de verslavingsproblematiek van appellant niet eerst is behandeld en appellant dit in beroep heeft aangevochten met de stelling dat behandeling van de verslavingsproblematiek en van de psychische problematiek gelijktijdig moet plaatsvinden, heeft de rechtbank terecht de door appellant betwiste vraagstelling in haar beoordeling betrokken.

4.4. De medisch adviseur van CIZ heeft zijn advies dat het verlenen van de door appellant gewenste zorg ingevolge de AWBZ pas doelmatig is wanneer eerst een voorliggende behandeling voor het verslavingsprobleem van appellant wordt afgerond, gebaseerd op een dossierstudie en op uitgebreide informatie van de behandelende sector. Daaruit is de medisch adviseur gebleken dat een eerdere behandeling door een psycholoog door appellant is afgebroken en dat andere hulpverleningsinstellingen appellant hebben verwezen naar de stichting Brijder om van zijn verslavingsprobleem af te komen.

Naar het oordeel van de Raad is dit advies niet op een onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Evenmin is de Raad gebleken dat het advies niet juist zou zijn. Uit de stukken blijkt dat Mentrum, polikliniek voor geestelijke gezondheidszorg, appellant in november 2007 terug heeft verwezen naar de Brijderkliniek voor behandeling van zijn verslaving, omdat volgens de aan Mentrum verbonden klinisch psycholoog pas na afronding daarvan kan worden overgegaan tot psychiatrische diagnostiek. Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens overgelegd waaruit zou blijken dat het advies van de medisch adviseur niet juist zou zijn. Gelet hierop heeft CIZ in navolging van zijn medisch adviseur terecht het standpunt ingenomen dat activerende begeleiding pas doelmatig is als de cannabisverslaving is behandeld.

4.5. Appellant wil voor zijn verslavingsproblematiek behandeld worden in de privékliniek Smith en Jones. Dat déze kliniek - die geen instelling is in de zin van de Wet toelating zorginstellingen - door de meeste zorgverzekeraars niet wordt vergoed op grond van de Zorgverzekeringswet, doet niet af aan het feit dat de Zorgverzekeringswet voor behandeling van verslavingsproblematiek een voorliggende voorziening biedt, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit.

4.6.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat CIZ onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geïndiceerde uren voor ondersteunende begeleiding voldoende zijn.

4.6.2. In het besluit op bezwaar van 24 juni 2008 heeft CIZ gemotiveerd hoe tot een omvang van 0-1,9 uur per week is gekomen: er is ondersteunende begeleiding geïndiceerd in verband met hulp bij van het plannen van activiteiten (twee maal per week 15 minuten) en voor het bieden van structuur en het initiëren van taken (tweemaal per week 30 minuten). Gelet hierop, en mede in aanmerking genomen dat appellant niet heeft geconcretiseerd waarom de door CIZ noodzakelijk geachte ondersteunende begeleiding niet voldoende is, kan de beroepsgrond dat de geïndiceerde zorg onvoldoende gemotiveerd is, niet slagen.

4.7. De Raad concludeert dat CIZ met het handhaven van het besluit van 9 november 2007 de zorgbehoefte van appellant niet heeft onderschat.

4.8. De beroepsgronden treffen geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLSSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) J. Waasdorp.

AV