Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
09-3970 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geloofsovertuiging. Passende arbeid. Vaststelling WAZ-uitkering. Wat de proceskosten in beroep betreft is de aangevallen uitspraak niet juist, omdat de rechtbank heeft verzuimd tevens de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor het verschijnen door appellants gemachtigde ter vervolgzitting van de rechtbank op 8 april 2009. Toename van rugklachten zijn niet met medische gegevens onderbouwd. De door appellant in hoger beroep uitdrukkelijk herhaalde grief met betrekking tot nachtarbeid is in het rapport van de bezwaararbeidskundige van 17 december 2008 afdoende weerlegd. Wat betreft de functie telefonist coördinatiecentrum (515201) waarin op zondag moet worden gewerkt, volgt de Raad appellant niet in diens opvatting dat die functie hem niet had mogen worden voorgehouden. De aan de schatting ten grondslag gelegde functie overschrijdt appellants belastbaarheid niet. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3970 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 juni 2009, 08/550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010.

Voor appellant is verschenen Van Baarlen, voor het Uwv E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was gedurende 70 uren per week werkzaam als zelfstandig melkvee- en paardenhouder met caravanstalling toen hij op 30 juni 2002 met rug- en heupklachten gedeeltelijk uitviel voor zijn werk.

Bij besluit (op bezwaar) van 21 mei 2004 is aan appellant (alsnog) per 30 juni 2003 een WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% toegekend.

2. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft appellant op 12 december 2005 aan de verzekeringsarts gemeld dat zijn rugklachten de afgelopen 3-4 maanden zijn toegenomen. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellants mogelijkheden en beperkingen sinds de vorige beoordeling niet zijn veranderd. Vervolgens heeft het Uwv na arbeidskundige beoordeling bij besluit van 16 december 2005 de WAZ-uitkering per 17 februari 2006 ingetrokken onder overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is gaan bedragen. Bij besluit van 8 september 2006 zijn appellants bezwaren tegen dat intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2007, 06/2289, heeft de rechtbank appellants beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, met beslissingen over griffierecht en proceskosten.

3. Bij nieuw besluit op bezwaar van 22 februari 2008 heeft het Uwv de WAZ-uitkering aan appellant per 17 februari 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% en bepaald dat de door appellant in bezwaar gemaakte kosten (van rechtsbijstand) worden vergoed tot een bedrag van € 644,--.

4. Hangende appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 22 februari 2008 heeft het Uwv bij gewijzigd besluit op bezwaar van 19 december 2008 de WAZ-uitkering aan appellant per 12 december 2005 vastgesteld naar dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid (45-55%).

5.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 22 februari 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met beslissingen over vergoeding van renteschade, griffierecht en proceskosten, en voorts het beroep dat appellant wordt geacht te hebben ingesteld tegen het gewijzigde besluit op bezwaar van 19 december 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

5.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft genoegzaam gemotiveerd dat appellant in staat is te achten tot het gedurende 45 uren per week verrichten van lichte werkzaamheden. Het medisch onderzoek is niet onzorgvuldig te achten om reden dat de bezwaarverzekeringsarts appellant niet zelf heeft onderzocht.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft genoegzaam inzichtelijk gemaakt dat de in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies optredende belasting appellants belastbaarheid niet overschrijdt. Appellants algemene bezwaren tegen het Claim beoordelings- en borgingssysteem, met name wat de totaalbelasting betreft, worden gepasseerd onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 juni 2009 (LJN BI6812). De bezwaararbeidsdeskundige heeft genoegzaam aangetoond dat appellant voldoet aan de in die functies gestelde opleidingseisen en genoegzaam gemotiveerd dat van appellant mag worden verlangd dat hij op zondag en in de nacht werkt.

De aanzegjurisprudentie kan appellant niet baten, daar het gaat om een verhoging van de uitkering.

Op goede gronden heeft het Uwv appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat de ingangsdatum van de verhoging van de uitkering in verband met zijn melding op 12 december 2005 dat zijn rugklachten de afgelopen 3-4 maanden zijn toegenomen had moeten worden bepaald op 10 september 2005 (vier weken na de gestelde toename op 12 augustus 2005), immers, er is geen sprake van (uit dezelfde ziekteoorzaak voortgekomen) toename van de arbeidsongeschiktheid.

Het Uwv heeft de uitkering op goede gronden per 12 december 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%, zodat het besluit op bezwaar van 19 december 2008 in stand kan blijven.

6.1. In hoger beroep heeft appellant - samengevat en voor zover ter zitting nog gehandhaafd - het volgende aangevoerd.

6.2. Bij de aangevallen uitspraak is wegens in beroep verleende rechtsbijstand € 322,-- te weinig aan vergoeding toegekend (0,5 punt voor repliek met de brieven van 9 juli 2008 en 24 september 2008 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting op 8 april 2009).

6.3. De verhoging van de uitkering per 12 december 2005 is niet louter op arbeidskundige gronden geschied, maar omdat de verzekeringsarts - aan wie appellant op 12 december 2005 had gemeld dat zijn rugklachten de afgelopen 3-4 maanden zijn toegenomen - hem bij de FML van 24 november 2006 meer beperkt heeft geacht dan bij de FML van 6 april 2004; hieruit volgt dat de uitkering per 10 september 2005 had moeten worden verhoogd.

Ter zitting van de Raad heeft appellant te dien aanzien nader aangevoerd dat hem uit overweging 7.2.6 van de uitspraak van de Raad van 7 mei 2010 (LJN BM5019) is gebleken dat de bijstelling bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 19 december 2008 van de datum van ingang van de WAZ-uitkering van 17 februari 2006 (zoals vastgesteld bij het nieuwe besluit op bezwaar van 22 februari 2008) naar 12 december 2005 materieel in zijn nadeel uitwerkt. Appellant is dan ook nader van mening dat die bijstelling en daarmee het gewijzigde besluit op bezwaar van 19 december 2008 in strijd is met het verbod van reformatio in peius.

6.4. Het Uwv heeft aangenomen dat in zijn maatgevende functie vanwege het werken met levende dieren categoraal nachtarbeid voorkwam, echter, zonder gericht onderzoek daarnaar en eraan voorbijgaand dat hij per 1 januari 2002 een medewerker in dienst had.

6.5. In zijn onverminderde mening dat in het kader van de WAZ ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid functies waarin op zondag moet worden gewerkt niet ten grondslag zouden mogen worden gelegd aan de schatting, voelt appellant zich gesterkt door de door Minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 10 februari 2010 onder nummer G&VW/AA/2010/2887 gegeven antwoorden op vragen van het lid van de Tweede Kamer Ortega - Martijn van de ChristenUnie, waarin, aldus appellant, de Minister nog eens duidelijk heeft gesteld dat het uitoefenen van druk op dan wel het verplichten van personeel om op zondag te werken volgens de wet niet is toegestaan. Gelet hierop is niet in te zien dat dit in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving anders zou moeten zijn, met name niet dat in het thans aanhangige geval de functie telefonist coördinatiecentrum met sbc-code 515201 aan de schatting ten grondslag had mogen worden gelegd.

Aangezien voorts de als derde aan de schatting ten grondslag gelegde functie schadecorrespondent met sbc-code 516080 niet geschikt is, omdat appellant niet voldoet aan de strikte diploma-eis, wordt niet voldaan aan de eis dat de schatting wordt gedragen door minstens drie functies in drie verschillende sbc-codes. Immers, het diploma van de driejarige MAS (middelbare agrarische school) waarover hij beschikt, kan niet op één lijn worden gesteld met het voor die functie vereiste diploma van de vierjarige MBO.

6.6. Sedert het van 24 januari 2006 daterende bezwaarschrift zal op het moment van deze uitspraak van de Raad de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM zijn overschreden, wat dan leidt tot een vordering op het Uwv van € 500,-- wegens overschrijding in bezwaar met een periode tot een half jaar en tot een vordering op de Staat van € 1.000,-- wegens overschrijding in beroep met een periode tussen een half en een heel jaar.

7. Het Uwv heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden gezien tot bijstelling van zijn standpunt.

8.1. De Raad overweegt als volgt.

8.2. Wat de proceskosten in beroep betreft is de aangevallen uitspraak inderdaad niet juist, omdat de rechtbank heeft verzuimd tevens de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor het verschijnen door appellants gemachtigde ter vervolgzitting van de rechtbank op 8 april 2009. Daarin bestaat aanleiding tot vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak en tot veroordeling van het Uwv in de in beroep wegens rechtsbijstand gemaakte proceskosten.

Wat appellants brieven van 9 juli 2008 en 24 september 2008 betreft kan niet worden gesproken van een verzuim van de rechtbank, daar de rechtbank geen aanleiding heeft gezien gebruik te maken van de haar bij artikel 8:43, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven bevoegdheid om appellant in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren.

De veroordeling in de in beroep gemaakte proceskosten bedraagt dan in totaal € 805,-- met daarnaast beslissingen over griffierecht en proceskosten in hoger beroep.

8.3. Appellants grief dat de bijstelling bij het gewijzigde besluit van 19 december 2008 van de ingangsdatum van 17 februari 2006 naar 12 december 2005 - in reactie op zijn bezwaar tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 22 februari 2008 - in strijd is met het verbod op reformatio in peius faalt, reeds omdat het bij het gewijzigde besluit op bezwaar van 19 december 2008 (anders dan in het geval waarop betrekking heeft de uitspraak van de Raad waarnaar appellant ter zitting van de Raad heeft verwezen) niet gaat om korting met toepassing van artikel 58 van de WAZ.

Appellant heeft weliswaar op 12 december 2005 op het spreekuur bij de verzekeringsarts gesteld dat zijn rugklachten de afgelopen 3-4 maanden zijn toegenomen, maar hij heeft die stelling toen niet en ook later niet onderbouwd met medische gegevens of op andere wijze. In het rapport van de verzekeringsarts van 6 juli 2004 is vermeld dat appellant onlangs nog bij orthopedisch chirurg Bremans is geweest en pas over twee jaren behoeft terug te komen, tenzij eerder bij ernstige toename van de klachten. Niet is gebleken dat appellant omstreeks augustus 2005 bij Bremans is teruggeweest. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 12 december 2005 als conclusie ook opgenomen dat appellants mogelijkheden en beperkingen sinds de vorige beoordeling (door de bezwaarverzekeringsarts op 6 april 2004 met aanscherping door deze op die datum op details van de door de primaire verzekeringsarts op 10 juni 2003 vastgestelde FML) niet zijn veranderd. Blijkens het verslag van de hoorzitting op 5 september 2006 heeft Van Baarlen toen en daar verklaard dat appellant berust in de FML en daarbij kan het niet gaan om een andere FML dan die van 12 december 2005. Overigens is uit de stukken af te leiden dat de van 24 november 2006 daterende FML slechts een aanpassing van de van 12 december 2005 daterende FML op beperkende toelichtingen inhoudt; van aanscherping van de beperkingen als door appellant bedoeld is geen sprake. Deze grief faalt dan ook evenzeer.

8.4. De door appellant in hoger beroep uitdrukkelijk herhaalde grief met betrekking tot nachtarbeid is in het rapport van de bezwaararbeidskundige van 17 december 2008 afdoende weerlegd. Er is geen gericht onderzoek voor nodig om vast te stellen dat de verzorging van circa 80 melkkoeien (exclusief pinken en tientallen kalveren) en ruim 30 paarden zeker viermaal per jaar nachtarbeid met zich brengt. Dat appellant per 1 januari 2002 (volgens zijn eigen opgave op 4 april 2003 per 1 februari 2002) een (in deeltijd werkende) medewerker in dienst heeft genomen is irrelevant, omdat in verband met appellants uitval per 30 juni 2002 voor het bepalen van de maatgevende arbeid de periode na 31 december 2001 niet van belang is.

Ter zitting heeft appellant zich nog gesteld op het standpunt dat niet hij, maar zijn echtgenote in de referteperiode (1999, 2000 en 2001) het nachtwerk in het bedrijf heeft verricht. Echter, dit standpunt staat op gespannen voet met de vermelding in het rapport van de verzekeringsarts van 10 juni 2003 dat appellant heeft verklaard dat hij zich (70 uren per week) in principe bemoeit met het melkvee (80 melkkoeien, doch bij herstart na circa tweeëneenhalve maand na de ruiming van zijn bedrijf op 8 mei 2001 50 melkkoeien, 70 uren per week, zo is in het rapport van de arbeidsdeskundige van 30 september 2003 als verklaring van appellant opgenomen) en zijn echtgenote met de paarden (30 uren per week). Ook deze grief faalt.

8.5. Wat betreft de functie telefonist coördinatiecentrum (515201) waarin op zondag moet worden gewerkt, volgt de Raad appellant niet in diens opvatting dat die functie hem niet had mogen worden voorgehouden. Bij een theoretische schatting in het kader van de WAZ wordt - evenals bij een theoretische schatting in het kader van de WAO - uitgegaan van alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is te achten. De persoonlijke - al dan niet op geloof gebaseerde - overtuiging van de betrokkene speelt daarbij geen rol, omdat een theoretische schatting niet verplicht tot daadwerkelijke vervulling van welke van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ook. In dit verband wijst de Raad op zijn WAO-uitspraken van 6 juni 2008 (LJN BD4216) en 1 mei 2009 (LJN BI3119).

Het door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer ingenomen standpunt waarop appellant een beroep heeft gedaan, behoeft in verband hiermee geen bespreking.

Het antwoord op de vraag of in de als derde aan de schatting ten grondslag gelegde functie schadecorrespondent (516080) wordt voldaan aan de diploma-eis kan worden daargelaten, omdat appellant niet heeft gesteld en de Raad niet is kunnen blijken dat de belasting in de als reservefunctie productiemedewerker industrie (111180) aan de schatting ten grondslag gelegde functie appellants belastbaarheid overschrijdt. Bij hantering van die functie verandert de mate van arbeidsongeschiktheid niet. Ook voor de als tweede aan de schatting ten grondslag gelegde functie machinaal metaalbewerker (264122) geldt dat appellant niet heeft gesteld en de Raad niet is kunnen blijken dat die functie niet passend is.

8.6.1. Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM verwijst de Raad naar de overwegingen 11.1 tot en met 11.3 van zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044).

8.6.2. Vanaf de ontvangst van appellants bezwaarschrift op 26 januari 2006 tot aan de datum van de uitspraak thans zijn ruim vier jaren en iets minder dan zes maanden verstreken. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in appellants opstelling aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Daaruit volgt naar vaste rechtspraak van de Raad dat - anders dan appellant meent - de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in dit geval in totaal € 500,-- bedraagt en dat vervolgens dient te worden bepaald in welke fase (bestuurlijke of rechterlijke) die overschrijding heeft plaatsgevonden. Partijen zijn het er voorts met elkaar in ieder geval over eens dat in de bestuurlijke fase overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad verklaard dat het zich kan verenigen met een veroordeling (van het Uwv) door de Raad om die reden tot betaling van € 500,--. De Raad zal dan ook tot een zodanige veroordeling overgaan.

9. In verband met de vernietiging van de aangevallen uitspraak zoals hiervoor aangegeven in 8.2, ziet de Raad aanleiding het Uwv tevens te veroordelen in de kosten van in hoger beroep aan appellant verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak wat de proceskostenveroordeling betreft;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.449,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant vergoedt het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 110,--;

Veroordeelt het Uwv om aan appellant een schadevergoeding van € 500,-- te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

KR