Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
08-5636 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Bezit onroerend goed in spanje met een waarde van van € 177.300,--. De Raad stelt vast dat in de door appellant genoemde uitspraak van deze Raad van 7 juni 2000 geoordeeld werd over de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm in de situatie dat een betrokkene, die opgave had gedaan van zijn inkomsten en aan wie was medegedeeld dat onderzoek zou worden gedaan naar zijn recht op uitkering, in onzekerheid verkeerde omtrent zijn rechtspositie zolang nog geen besluit tot terugvordering was genomen. Naar het oordeel van de Raad is er geen aanleiding om aan te nemen dat appellant in een dergelijke onzekerheid verkeerde. De zorgvuldigheidsnorm, zoals genoemd in de uitspraak van de Raad van 7 juni 2000, is om die reden dan ook niet van toepassing in de situatie van appellant. Mede tegen de achtergrond van de ernstige schending door appellant van zijn wettelijke inlichtingenverplichting, acht de Raad ook overigens geen grond aanwezig om te oordelen dat het College door te besluiten tot volledige terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 oktober 1998 tot 1 november 2006 in strijd heeft gehandeld met de in artikel 3:2 van de Awb besloten liggende zorgvuldigheidsnorm, dan wel met enig ander in het algemeen rechtsbewustzijn liggend beginsel van behoorlijk bestuur. Het enkele feit dat het College, na ontvangst van anonieme tips in juli 2003 en november 2003, pas in maart 2005 een onderzoek instelt naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, levert in ieder geval niet een zodanige grond op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5636 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2008, 07/3329 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Beekelaar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien heeft appellant de gronden van het hoger beroep nog aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 25 mei 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van meldingen, ontvangen op 28 juli 2003 en 25 november 2003, omtrent het vermoedelijk bezit van appellant van onroerend goed in [Spanje] is door de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In verband hiermee is dossieronderzoek verricht, is op 14 maart 2005 informatie opgevraagd bij het Internationaal Bureau Fraude-informatie, zijn getuigen gehoord en is appellant in oktober 2006 verhoord.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellant sinds 22 oktober 1998 in het bezit is van onroerend goed in [Spanje], dat blijkens een op 19 september 2006 ontvangen taxatierapport op 14 juli 2005 een waarde had van € 177.300,--.

1.3. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 26 maart 2007 de bijstand van appellant met ingang van 22 oktober 1998 in te trekken en de over de periode van 22 oktober 1998 tot 1 november 2006 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 75.638,35.

1.4. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 26 maart 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 22 oktober 1998 eigenaar is geworden van een woning in [Spanje] met een waarde - op 14 juli 2005 - van € 177.300,--. Het College heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de vooronderstelling dat het onroerend goed tot het vermogen van appellant behoorde en dat hij er redelijkerwijs over kon beschikken. Door van het bezit van het onroerend goed geen mededeling te doen aan DWI heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Voorts heeft het College zich op het standpunt gesteld niet onredelijk lang te hebben gewacht met het besluit tot terugvordering sinds het moment van ontvangst van de eerste tip in juli 2003. Daartoe heeft het College aangevoerd dat de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing is in situaties waar betrokkene opzettelijk voor het recht op bijstand van belang zijnde gegevens heeft verzwegen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 juli 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College niet onredelijk lang gewacht met het besluit tot terugvordering. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat eerst na de ontvangst van het taxatierapport op 19 september 2006 voor het College vaststond dat appellant had gefraudeerd, dat appellant vanaf het moment dat de woning op zijn naam stond de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat appellant ook tijdens zijn verhoor op 17 oktober 2006 volhield niets van de woning te weten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat met de ontvangst van anonieme tips een termijn is gaan lopen waarbinnen het College onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering zou moeten doen. Indien zou moeten worden uitgegaan van een termijn waarbinnen onderzoek zou moeten worden gedaan, dan is die termijn eerst met de ontvangst van het taxatierapport op 19 september 2006 gestart.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het College in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte zorgvuldigheidsnorm onredelijk lang heeft gewacht met het besluit tot terugvordering. Appellant heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 juni 2000, 97/4808 WAO, waarin is overwogen dat voor de beoordeling van de vraag of het bestuursorgaan bij de hantering van de terugvorderingsbevoegdheid voldoende zorgvuldigheid heeft betracht moet worden gerekend vanaf het tijdstip waarop bij het bestuursorgaan het vermoeden rees dat mogelijkerwijs ten onrechte uitkering was betaald. Naar de mening van appellant heeft het College na ontvangst van de meldingen in 2003 met onvoldoende voortvarendheid gehandeld door eerst in maart 2005 een nader onderzoek in te stellen. Na ontvangst van het eerste signaal heeft het College eerst na drie jaar en bijna acht maanden besloten tot terugvordering. Onder deze omstandigheden acht appellant volledige terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 22 oktober 1998 tot 1 november 2006 strijdig met eerdergenoemde zorgvuldigheidsnorm.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep beperkt is tot beoordeling van de vraag of het College bij afweging van de bij de bevoegdheid tot terugvordering rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.2. De Raad stelt vast dat in de door appellant genoemde uitspraak van deze Raad van 7 juni 2000 geoordeeld werd over de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm in de situatie dat een betrokkene, die opgave had gedaan van zijn inkomsten en aan wie was medegedeeld dat onderzoek zou worden gedaan naar zijn recht op uitkering, in onzekerheid verkeerde omtrent zijn rechtspositie zolang nog geen besluit tot terugvordering was genomen. Naar het oordeel van de Raad is er geen aanleiding om aan te nemen dat appellant in een dergelijke onzekerheid verkeerde. De zorgvuldigheidsnorm, zoals genoemd in de uitspraak van de Raad van 7 juni 2000, is om die reden dan ook niet van toepassing in de situatie van appellant.

4.3. Mede tegen de achtergrond van de ernstige schending door appellant van zijn wettelijke inlichtingenverplichting, acht de Raad ook overigens geen grond aanwezig om te oordelen dat het College door te besluiten tot volledige terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 oktober 1998 tot 1 november 2006 in strijd heeft gehandeld met de in artikel 3:2 van de Awb besloten liggende zorgvuldigheidsnorm, dan wel met enig ander in het algemeen rechtsbewustzijn liggend beginsel van behoorlijk bestuur. Het enkele feit dat het College, na ontvangst van anonieme tips in juli 2003 en november 2003, pas in maart 2005 een onderzoek instelt naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand, levert in ieder geval niet een zodanige grond op.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en H.C.P. Venema en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

JvS