Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3294

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
07-7140 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandelingstelling aanvraag om een bijstandsuitkering, met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet binnen de in de brief van 28 februari 2007 genoemde termijn de - reeds bij brieven van 30 januari en 14 februari 2007 - gevraagde gegevens heeft overgelegd. De Raad is van oordeel dat appellant over de gevraagde gegevens beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en deze tijdig kon overleggen aangezien het om gewone rekeningafschriften gaat die voor de betrokken rekeninghouder toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest dan had het op de weg van appellant gelegen het College binnen de laatstelijk bij brief van 28 februari 2007 gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen en eventueel om verlenging van de termijn te verzoeken. Naar aanleiding van het feit dat appellant de gevraagde gegevens bij brieven van 31 mei en 20 juli 2007 alsnog heeft overgelegd, merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om bijstand, meebrengt dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. In het voorgaande ligt reeds besloten dat hiervan in dit geval geen sprake was. Ten aanzien van het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 13 van het ESH overweegt de Raad dat Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie onder meer zijn uitspraken van 11 oktober 2007, LJN BB5687 en 26 januari 2010, LJN BL1686, treft het beroep op deze bepaling geen doel, nu deze bepaling niet kan worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking van bedoelde bepaling is daarin veeleer sprake van een algemeen geformuleerde sociale doelstelling, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in hun regelgeving de verdragsstaten zich hebben verbonden, dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. In ieder geval is deze bepaling onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen concluderen tot een recht op bijstand in een geval als het onderhavige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7140 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 3 december 2007, 07/6999, 07/7229 en 07/7443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010. Voor appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.W. van de Langemheen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 29 januari 2007 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet binnen de in de brief van 28 februari 2007 genoemde termijn de - reeds bij brieven van 30 januari en 14 februari 2007 - gevraagde gegevens heeft overgelegd.

1.2. Het tegen het besluit van 8 maart 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij heeft aangeleverd wat er van hem werd gevraagd. Dat ondanks de verstrekte gegevens nog onduidelijkheid zou bestaan over zijn financiële positie rechtvaardigt volgens appellant geen toepassing van artikel 4:5 van de Awb. Verder betoogt appellant dat hij niet meer gegevens had kunnen overleggen dan hij heeft gedaan. Ten slotte voert appellant aan dat het College in strijd heeft gehandeld met artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), aangezien het College zich weinig hulpvaardig heeft opgesteld bij het indienen van de aanvraag, terwijl het College er toch van op de hoogte was dat appellant lezen noch schrijven kan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Bij brieven van 30 januari 2007, 14 februari 2007 en 28 februari 2007 heeft het College onder meer verzocht om gegevens omtrent bankrekeningen van appellant. Het betreft in het bijzonder een kopie van de afschriften van girorekeningnummer [nr.] over de periode van december 2006 en januari 2007, een bewijs van beëindiging van de oude girorekening [nr.] alsmede een bewijs van het openingssaldo van het nieuwe bankrekeningnummer [nr.] per 22 januari 2007. Het College heeft, gelet op artikel 53a, tweede lid, van de WWB, op goede gronden om deze rekeninggegevens verzocht. Deze zijn immers noodzakelijk om inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellant, en daarmee ook voor de beoordeling van zijn recht op bijstand. De Raad stelt voorts vast dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt binnen de bij brief van 28 februari 2007 gegeven hersteltermijn tot 7 maart 2007.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant over de gevraagde gegevens beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en deze tijdig kon overleggen aangezien het om gewone rekeningafschriften gaat die voor de betrokken rekeninghouder toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest dan had het op de weg van appellant gelegen het College binnen de laatstelijk bij brief van 28 februari 2007 gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen en eventueel om verlenging van de termijn te verzoeken.

4.4. Naar aanleiding van het feit dat appellant de gevraagde gegevens bij brieven van 31 mei en 20 juli 2007 alsnog heeft overgelegd, merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak aard en inhoud van het primaire besluit strekkende tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om bijstand, meebrengt dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken. In het voorgaande ligt reeds besloten dat hiervan in dit geval geen sprake was.

4.5. Ten aanzien van het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 13 van het ESH overweegt de Raad het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie onder meer zijn uitspraken van 11 oktober 2007, LJN BB5687 en 26 januari 2010, LJN BL1686, treft het beroep op deze bepaling geen doel, nu deze bepaling niet kan worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking van bedoelde bepaling is daarin veeleer sprake van een algemeen geformuleerde sociale doelstelling, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in hun regelgeving de verdragsstaten zich hebben verbonden, dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. In ieder geval is deze bepaling onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen concluderen tot een recht op bijstand in een geval als het onderhavige.

4.6. Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. de Jong.

IJ