Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
10-362 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad stelt vast dat appellante ook in hoger beroep een inhoudelijk oordeel vraagt over de einddatum 22 februari 2007 en daarmee in feite van de Raad een inhoudelijke beoordeling verlangt van meergenoemd besluit van 21 november 2007. Daargelaten dat appellante tegen dit besluit van 21 november 2007 inmiddels rechtsmiddelen heeft aangewend, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit over de nabetaling over de periode van 22 april 2006 tot 22 februari 2007 slechts een informatieve mededeling is en niet op rechtsgevolg is gericht. Het bestreden besluit is derhalve in zoverre geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu het beroep zich enkel richtte tegen de in die alinea genoemde einddatum 22 februari 2007 heeft de rechtbank het beroep terecht wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/362 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 december 2009, 09/2561 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juni 2010 heeft de gemachtigde van appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010. Voor appellante is verschenen mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 22 april 2006 ingetrokken, onder de overweging dat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.3. Het tegen het besluit van 21 februari 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 augustus 2006 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2006 bij uitspraak van 12 september 2007 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van 24 april 2009, 07/5968 WAO, heeft de Raad, beslissend op het tegen de uitspraak van 12 september 2007 ingestelde hoger beroep, die uitspraak van de rechtbank en het besluit van 25 augustus 2006 vernietigd, met de opdracht aan het Uwv om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.6. Ter uitvoering van die uitspraak van de Raad heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 2009 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 februari 2006 alsnog gegrond verklaard, dit besluit herroepen en bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 april 2006 onveranderd 80-100% bedraagt. In dit besluit heeft het Uwv de volgende alinea opgenomen:

“Ter informatie.

Ten overvloede merken wij op dat bij primaire beslissing van 21 november 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van het oude Schattingsbesluit (oSB) is vastgesteld op minder dan 15%. Niet is gebleken dat u tegen deze beslissing bezwaar heeft gemaakt. Dit betekent dat u, gelet op het voorgaande, recht heeft op een nabetaling over de periode van

22 april 2006 tot 22 februari 2007. Indien u in deze periode (gedeeltelijk) WW-uitkering of een andere uitkering heeft ontvangen, zal de nabetaling hiermee worden verrekend.”

1.7. Appellante heeft tegen het besluit van 15 mei 2009, hierna: het bestreden besluit, beroep ingesteld. Dit beroep richtte zich tegen de einddatum van de nabetaling, 22 februari 2007.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld, dat het bestreden besluit, anders dan appellante kennelijk meent, geen beslissing bevat over de datum 22 februari 2007, nu deze datum is vastgesteld bij besluit van

21 november 2007, tegen welk besluit appellante vóór het nemen van het thans bestreden besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Het standpunt van appellante dat het besluit van 21 november 2007 een gevolg is van het besluit van

25 augustus 2006 en dat dit gevolg door de vernietiging van laatstgenoemd besluit ongedaan is gemaakt heeft de rechtbank niet gedeeld. Met het beroep tegen het bestreden besluit kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet worden bereikt dat verandering wordt gebracht in meergenoemde einddatum. Dit heeft de rechtbank tot de conclusie geleid, dat het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. De Raad stelt vast dat appellante ook in hoger beroep een inhoudelijk oordeel vraagt over de einddatum

22 februari 2007 en daarmee in feite van de Raad een inhoudelijke beoordeling verlangt van meergenoemd besluit van

21 november 2007.

3.2. Daargelaten dat appellante tegen dit besluit van 21 november 2007 inmiddels rechtsmiddelen heeft aangewend, is de Raad van oordeel dat de onder 1.6 weergegeven alinea van het bestreden besluit over de nabetaling over de periode van

22 april 2006 tot 22 februari 2007 slechts een informatieve mededeling is en niet op rechtsgevolg is gericht. Het bestreden besluit is derhalve in zoverre geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu het beroep zich enkel richtte tegen de in die alinea genoemde einddatum 22 februari 2007 heeft de rechtbank het beroep terecht wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

3.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK