Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
09-236 WAJONG + 10-3020 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat de datum van beoordeling juist is omdat appellant op 14 mei 2007, toen hij 22 jaar was, een (laattijdige) aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong heeft ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Voldoende zorgvuldige beoordeling van de belastbaarheid voor arbeid van appellant. De Raad is van oordeel dat in de arbeidskundige rapportages alle gesignaleerde knelpunten en mogelijke overschrijdingen ten aanzien van de overgebleven functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering en dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Het beroep tegen het besluit van 21 mei 2001 is ongegrond omdat de Wajong-uitkering door het Uwv per 14 mei 2006 terecht is geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/236 WAJONG

10/3020 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 november 2008, 08/413 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.S. van den Berg, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.L. Gerritsen.

Ter zitting is het onderzoek geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de brief van de Raad van 8 april 2010, een bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van de functies nogmaals te laten beoordelen en appellant in de gelegenheid te stellen op deze informatie te reageren.

Het Uwv heeft op 21 mei 2010 een nieuw besluit genomen en het besluit van 31 januari 2008 ingetrokken. Appellant heeft bij schrijven van 3 juni 2010 een reactie gegeven op dit besluit.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 11 juni 2010.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellant, geboren [in] 1984, heeft op 14 mei 2007 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong ingediend.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op en na 15 juni 2002 minder is dan 25%.

1.4. Volgens de verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant beperkingen als gevolg van een impulscontroleproblematiek bij een gemengde persoonlijkheidsstoornis. De beperkingen en de arbeidsmogelijkheden zijn door de verzekeringsarts op

9 augustus 2007 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geschikt geacht voor appellant, waarbij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten dat sinds 1 oktober 2004 geldt, is toegepast. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant in staat wordt geacht gangbare werkzaamheden te verrichten, waarmee hij ongeveer 100% zou kunnen verdienen van hetgeen een gelijksoortig gezond persoon zou verdienen.

2. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 31 januari 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2007 ongegrond verklaard. Bij aanvullend besluit van 6 februari 2008 heeft het Uwv aangegeven dat hij naar aanleiding van de alsnog ontvangen informatie van psychiater H. Borghorst van 16 januari 2008 geen aanleiding ziet om het bestreden besluit te herzien.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat het Uwv het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en is van oordeel dat ook anderszins niet is gebleken dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke, althans toereikende medische grondslag met betrekking tot appellants belastbaarheid op de datum in geding. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant overschrijden. In de geduide functies komen volgens de rechtbank geen deadlines en productiepieken voor.

4. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het Uwv heeft ten onrechte de ontvangst van de opgevraagde gegevens niet afgewacht en appellant is ten onrechte niet gehoord nadat het Uwv informatie van psychiater Borghorst had ontvangen. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft zij ten onrechte geen deskundige benoemd. Aanvullend stelt appellant zich op het standpunt dat de functie medewerker keuken ongeschikt is vanwege het aspect samenwerken en dat er bij dit aspect door het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met zijn zogenaamde ‘periodieke explosieve stoornis’.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Naar aanleiding van de brief van de Raad van 8 april 2010 en hetgeen ter zitting van de Raad besproken is op 16 april 2010, heeft het Uwv op 21 mei 2010 een nieuw besluit genomen en het besluit van 31 januari 2008, zoals aangevuld bij besluit van 6 februari 2008, ingetrokken. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008, zoals aangevuld bij besluit van 6 februari 2008, gegrond worden verklaard en dat besluit worden vernietigd.

5.3. De Raad overweegt dat het hoger beroep van appellant ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 21 mei 2010, nu daarbij niet aan het hoger beroep is tegemoet gekomen.

5.4.1. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wajong gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

5.4.2. In het nieuwe besluit vindt een Wajong-beoordeling plaats per 14 mei 2006, één jaar voorafgaande aan het aanvragen van de Wajong-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt volgens het Uwv (ook) per 14 mei 2006 minder dan 25%. De belastbaarheid van appellant is volgens het Uwv op 14 mei 2006 gelijk aan de belastbaarheid op 15 juni 2002.

5.4.3. De Raad is van oordeel dat deze datum van beoordeling juist is omdat appellant op 14 mei 2007, toen hij 22 jaar was, een (laattijdige) aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong heeft ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om uitkering kan naar vaste jurisprudentie geen bijzonder geval opleveren. De uitkering kan dus niet eerder ingaan dan op 14 mei 2006.

5.5. In geding is vervolgens de vraag of de beperkingen en mogelijkheden van appellant per 14 mei 2006 ten aanzien van arbeid juist zijn beoordeeld en vastgelegd in de FML en appellant op en na deze datum geschikt was te achten voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

5.6.1. Ten aanzien van de belastbaarheid voor arbeid van appellant wordt bij de nieuwe beoordeling uitgegaan van de FML van 9 augustus 2007. De Raad is van oordeel dat de beoordeling van de belastbaarheid voor arbeid van appellant voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Namens het Uwv is meerdere malen informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater waarbij de bezwaarverzekeringsarts de dringendheid en het belang duidelijk heeft aangegeven. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarnaast de informatie van psychiater H. Borghorst die na de gestelde termijn is ontvangen, alsnog bij de beoordeling betrokken. Bij brief van 16 januari 2008 heeft Borghorst verwezen naar zijn brief van 30 juli 2007 met de toevoeging: “As I: identiteitsprobleem, waarbij uitdrukkelijk gemeld kan worden dat een gebrekkige identiteitsvorming in de vroege jeugd is ontstaan.” De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 30 januari 2008 aangegeven dat deze informatie geen invloed heeft op het ingenomen standpunt omdat het dezelfde informatie is als de reeds in de brief van Borghorst van 30 juli 2007 gestelde diagnose: As I, 1 periodieke explosieve stoornis, 2. pathologisch gokken in remissie, 3. Identiteitsprobleem, As II, persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische en afhankelijke kenmerken. De verzekeringsarts was op basis van deze informatie al tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een psychische stoornis als gevolg waarvan appellant reeds voor het zeventiende levensjaar als ook tot zijn achttiende levensjaar beperkt is te achten ten aanzien van zijn geestelijke draagkracht en stresstolerantie. De bezwaarverzekeringsarts heeft dit standpunt en de FML ongewijzigd overgenomen.

5.6.2. Ten aanzien van de bij de rechtbank overgelegde medische verklaring van prof. dr. A.M. H. van Leeuwen van 15 mei 2006 verwijst de Raad naar het verweerschrift van het Uwv van 15 mei 2008 waarin wordt aangegeven dat de beoordeling van de belastbaarheid van arbeid behoort tot de expertise van de verzekeringsarts. Daarnaast merkt de Raad op dat de conclusie van de psychiater niet wordt onderbouwd met onderzoeksgegevens en het niet duidelijk is in welk kader deze brief is opgesteld. De brief van psychotherapeut H.N.J. Hillege van 10 november 2008 bevestigt de persoonlijkheidsstoornis en is gericht op de begeleiding die appellant ontvang in het kader van zijn financiële problemen. Ook deze informatie heeft het Uwv geen aanleiding gegeven om van het standpunt af te wijken dat appellant belastbaar is voor arbeid, rekening houdende met de beperkingen die zijn vastgelegd in de FML. De Raad ziet geen aanleiding om dit standpunt voor onjuist te houden. Er is naar het oordeel van de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

5.7.1. Wat betreft de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad het volgende. De bezwaararbeidsdeskundige heeft - blijkens het rapport van 18 mei 2010 - onderzocht of de aan het primaire besluit ten grondslag gelegde functies actueel waren op 14 mei 2006 en heeft beoordeeld of de functies geschikt zijn voor appellant, met name ten aanzien van het aspect samenwerken. De functies die actueel zijn op de datum in geding en geschikt zijn voor appellant zijn volgens de bezwaararbeidsdeskundige de functies inpakker (sbc-code 111190), productie medewerker industrie (sbc-code 111180), sorteerder/controleur (sbc-code 111340) en productiemedewerker hout en bouw (sbc-code 111173). De theoretische verdiencapaciteit van deze functies (€ 8,15) is volgens de bezwaararbeidsdeskundige hoger dan het vastgestelde maatmanloon (€ 6,05), zodoende is appellant volgens het Uwv minder dan 25% arbeidsongeschikt en komt hij niet in aanmerking voor een uitkering ingevolge de Wajong.

5.7.2. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellant ten aanzien van het aspect samenwerken bij de functie inpakker, medewerker keuken, productie van snacks (sbc-code 111190), is de Raad van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Op de FML wordt bij item 2.9 samenwerken aangegeven dat dit aspect beperkt is, appellant met anderen kan werken, maar met een eigen van te voren afgebakende deeltaak. Op de resultaat functiebeoordeling (RF) wordt bij de functie medewerker keuken bij de items 2.9 en 2.12 (aspect samenwerken) een bijzondere belasting aangegeven. Er moet voor het uitvoeren van de taak worden samengewerkt, er is echter sprake van een eigen afgebakende deeltaak. Bij de werkzaamheden wordt gewerkt aan één lijn, waarbij er voor gezorgd moet worden dat het tempo van de lijn wordt bijgehouden; als de één langzamer werkt moeten de anderen sneller werken. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 18 mei 2010 aangegeven dat er een belasting is op dit aspect, maar dat er sprake is van een eigen afgebakende deeltaak en de functie daarmee voldoet aan de gestelde voorwaarden. Omdat de bezwaararbeidsdeskundige, ondanks het verzoek van de Raad, de bijzondere belasting naar het oordeel van de Raad onvoldoende inzichtelijk heeft toegelicht, vervalt deze functie.

5.7.3. De Raad is van oordeel dat in de voorhanden arbeidskundige rapportages alle gesignaleerde knelpunten en mogelijke overschrijdingen ten aanzien van de overgebleven functies zijn voorzien van een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering en dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De theoretische verdiencapaciteit van deze functies blijft hoger dan het vastgestelde maatmanloon, zodoende is appellant voor minder dan 25% arbeidsongeschikt en komt hij niet in aanmerking voor een uitkering ingevolge de Wajong.

5.8. Hetgeen in 5.2 tot en met 5.7.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008, zover aangevuld bij besluit van 6 februari 2008, gegrond is. Het beroep tegen het besluit van 21 mei 2001 is ongegrond omdat de Wajong-uitkering door het Uwv per 14 mei 2006 terecht is geweigerd.

6. De Raad ziet reden voor veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand stelt de Raad voor het beroep vast op een bedrag van € 644,-, en voor het hoger beroep vast op een bedrag van € 322,-; in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2007, zover aangevuld bij besluit van 6 februari 2008, gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 mei 2010 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-, waarvan een bedrag van € 322,- te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK