Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
09-6579 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellant, migrerend werknemer met de Duitse nationaliteit, is bij besluit van 22 november 2007 studiefinanciering toegekend voor de periode oktober 2007 tot en met december 2007. Bij besluit van eveneens 22 november 2007 is hem meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2008 geen recht heeft op een toelage. Afwijzing aanvraag om studiefinanciering met ingang van 1 januari 2008. Terecht is geoordeeld dat de aanvraag om studiefinanciering niet is gedaan binnen 6 weken na afloop van de termijn waarover aan hem nog wel studiefinanciering was toegekend. En dat het verzoek ook voor de periode gelegen na indiening van de aanvraag niet kan leiden tot toekenning van studiefinanciering omdat hij op 31 december 2007 de dertigjarige leeftijd heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6579 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2009, 08/3481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna:

de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellant heeft mr. B. Leenders, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.A. Willering, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van mr. Leenders. Voor de Minister is verschenen dr. K. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant, migrerend werknemer met de Duitse nationaliteit, is bij besluit van 22 november 2007 studiefinanciering toegekend voor de periode oktober 2007 tot en met december 2007. Bij besluit van eveneens 22 november 2007 is hem meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2008 geen recht heeft op een toelage.

1.2. Op 12 maart 2008 heeft appellant vervolgens studiefinanciering aangevraagd met ingang van 1 januari 2008.

1.3. Bij besluit van 1 april 2008 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat zijn aanvraag niet wordt gehonoreerd omdat deze niet is gedaan binnen 6 weken na afloop van de termijn waarover aan hem nog wel studiefinanciering was toegekend.

1.4. De Minister heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing gehandhaafd. Daarbij is aan appellant meegedeeld dat zijn verzoek ook voor de periode gelegen na indiening van de aanvraag niet kan leiden tot toekenning van studiefinanciering omdat hij op 31 december 2007 de dertigjarige leeftijd heeft bereikt.

2. De rechtbank heeft het beroep dat appellant tegen het besluit van 16 oktober 2008 heeft ingesteld ongegrond verklaard. Daartoe is – kort zakelijk weergegeven – overwogen dat appellant heeft erkend dat hij de besluiten van 22 november 2007 heeft ontvangen en dat hij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Hij heeft vervolgens niet binnen de door de Minister ter zake gehanteerde termijn van 6 weken na het einde van de periode waarover nog wel studiefinanciering was toegekend verzocht om verlenging van de toekenning, zodat de afwijzing van het verzoek om toekenning van studiefinanciering met ingang van 1 januari 2008 naar het oordeel van de rechtbank terecht is gehandhaafd.

Omdat appellant op 31 december 2007 de dertigjarige leeftijd heeft bereikt, heeft de Minister zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht op het standpunt gesteld dat toekenning met ingang van 1 april 2008 niet mogelijk was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister in redelijkheid toepassing van de hardheidsclausule achterwege gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd en daarbij de in beroep aangevoerde gronden herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat hij bij de rechtbank heeft betoogd. Daarbij is niet aangegeven waarom de in de aangevallen uitspraak neergelegde oordelen niet juist zouden zijn.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank aan haar toetsing van het besluit van 16 oktober 2008 de juiste wettelijke bepalingen ten grondslag gelegd en is zij tot een juist oordeel over dit besluit gekomen. De Raad stelt zich achter de door de rechtbank gebezigde overwegingen en de daaraan verbonden conclusies en maakt deze tot de zijne.

4.3. De Raad voegt hieraan toe dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn ter zitting bij de Raad gehouden betoog dat in de besluiten van 22 november 2007 ten onrechte niet is aangegeven dat hij voor de toekenning van studiefinanciering over 2008 een nieuwe aanvraag moest indienen, zodat hij niet wist wat hem te doen stond. In dit verband wijst de Raad erop dat de besluiten van 22 november 2007 aan duidelijkheid niets te wensen overlaten, dat deze zijn voorzien van een bezwaarclausule en dat het bij studerenden van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat na beëindiging van een recht op studiefinanciering voor een nieuwe toekenning een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Dat bij de Minister kennelijk een vaste uitvoeringspraktijk wordt gehanteerd dat aanvragen in een situatie als die waarin appellant indertijd verkeerde ook kunnen leiden tot toekenning van studiefinanciering met terugwerkende kracht, indien de aanvraag wordt gedaan binnen 6 weken na afloop van de termijn waarover nog wel een toelage is toegekend, maakt dit niet anders.

Dat aan appellant bij de gestelde bezoeken aan het Servicekantoor van de IB-Groep in Amsterdam indertijd onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt waardoor een tijdige aanvraag achterwege is gebleven, is, wat daarvan verder ook zij, door hem, ondanks herhaalde daartoe strekkende verzoeken van de Minister, niet aannemelijk gemaakt.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV