Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
08-5298 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door appellant gegeven motivering acht de rechtbank zo algemeen dat in feite bij appellant bezwaar bestaat tegen iedere keuze van een belanghebbende voor een pgb in plaats van deelname aan het collectief vervoer. Voor een dergelijk verstrekkend standpunt is ten minste vereist dat appellant zijn aan de motivering ten grondslag liggende stelling dat het collectief vervoer in de gemeente Velsen alleen verantwoord kan functioneren bij zoveel mogelijk belanghebbenden, nader preciseert en met concrete gegevens onderbouwt. Naar het oordeel is onvoldoende gemotiveerd dat voor het afwijzen van de keuze van een belanghebbende voor een pgb overwegende bezwaren, als bedoeld in artikel 6 van de Wmo, bestaan. Beroep gegrond. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/192 met annotatie van H.F. van Rooij
RSV 2010/279 met annotatie van H.F. van Rooij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5298 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 juli 2008, 08/2992 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. W. Peters, juridisch adviseur bij StimulanSZ, hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. Peters en betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op 9 juli 2007 bij appellant in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) een aanvraag om een vervoersvoorziening in de vorm van een bijdrage in het gebruik van de eigen auto ingediend.

1.2. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft appellant de aanvraag van betrokkene afgewezen op de grond dat hij voor zijn vervoer gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen in de vorm van openbaar vervoer dan wel collectief vervoer. Betrokkene komt hierdoor niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer op grond van de Wmo.

1.4. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat de kosten voor de auto gelijk zijn aan de kosten voor de voorliggende voorzieningen en dat hij met het collectief vervoer zijn familie buiten de regio niet kan bezoeken.

1.5. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft appellant het tegen het besluit van 2 oktober 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat bij vervoersvoorzieningen het primaat ligt bij het collectief vervoer en dat men slechts voor andere vervoersvoorzieningen in aanmerking komt, indien het collectief vervoer medisch gezien niet geschikt is. Betrokkene wordt in staat geacht om met het collectief vervoer al zijn bestemmingen te bereiken. Voor het faciliteren van familiebezoek buiten de gemeente Velzen ziet appellant geen aanleiding, nu er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het feit dat in een specifiek geval de kosten van een individuele voorziening lager zouden zijn dan de tot de individuele deelnemer te herleiden kosten van collectief vervoer brengt niet met zich mee dat het collectief vervoer geen verantwoorde voorziening meer zou zijn. De gemeente heeft er aanzienlijk belang bij om, teneinde het collectief vervoerssysteem verantwoord te kunnen laten functioneren, zoveel mogelijk belanghebbenden te laten deelnemen aan het collectief vervoer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 februari 2008 - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is betrokkene er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij niet in staat is met het collectief vervoer te reizen. De rechtbank ziet de aanvraag van betrokkene om een bijdrage in de kosten van de auto als een keuze voor een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) en zij leest het besluit van 19 februari 2008 als een weigering om betrokkene in aanmerking te brengen voor een pgb. De daarvoor door appellant gegeven motivering acht de rechtbank zo algemeen dat in feite bij appellant bezwaar bestaat tegen iedere keuze van een belanghebbende voor een pgb in plaats van deelname aan het collectief vervoer. Voor een dergelijk verstrekkend standpunt is ten minste vereist dat appellant zijn aan de motivering ten grondslag liggende stelling dat het collectief vervoer in de gemeente Velsen alleen verantwoord kan functioneren bij zoveel mogelijk belanghebbenden, nader preciseert en met concrete gegevens onderbouwt. Naar het oordeel is onvoldoende gemotiveerd dat voor het afwijzen van de keuze van een belanghebbende voor een pgb overwegende bezwaren, als bedoeld in artikel 6 van de Wmo, bestaan.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de rechtbank is voorbij gegaan aan de parlementaire behandeling van de Wmo. Daaruit leidt appellant af dat het nooit de bedoeling van de wetgever is geweest dat ook in een situatie waarin collectief vervoer de goedkoopste adequate oplossing is het bevoegde bestuursorgaan verplicht is de in artikel 6 van de Wmo bedoelde keuze te bieden. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant meegedeeld dat het collectief vervoer in de gemeente Velzen, gelet op jurisprudentie van de Raad, moet worden aangemerkt als een individuele voorziening.

3.2. Betrokkene kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank. Aangevoerd is dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo blijkt dat gemeenten niet lichtvaardig mogen besluiten tot het achterwege laten van een keuzemogelijkheid tussen een naturavoorziening en een pgb en dat efficiencyoverwegingen een reden kunnen zijn om geen keuze te bieden. Tevens leidt betrokkene uit de parlementaire behandeling van de Wmo af, dat het weigeren van een pgb alleen kan als in de persoon gelegen omstandigheden daartoe aanleiding geven, zodat appellant goed moet beargumenteren waarom in een voorliggend geval efficiencyoverwegingen dermate dringend zijn dat geen keuze voor een pgb wordt geboden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de standpunten van partijen in hoger beroep spitst het geding zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat er overwegende bezwaren bestaan tegen het bieden van een keuze tussen het gebruik van het collectief vervoer en een pgb aan betrokkene.

4.2. Ingevolge artikel 6 van de Wmo biedt het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het collectief vervoer in de gemeente Velsen een individuele voorziening is. Ook de Raad gaat daarvan uit. Dit heeft tot gevolg dat appellant op grond van artikel 6 van de Wmo verplicht is betrokkene een keuze voor een met het collectief vervoer vergelijkbaar pgb te bieden, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

4.4. Voor het standpunt van appellant dat het nooit de bedoeling is geweest van de wetgever dat gemeenten niet verplicht zijn de in artikel 6 van de Wmo bedoelde keuze te bieden in een situatie dat het collectief vervoer de goedkoopste adequate voorziening is, vindt de Raad geen steun in de door appellant aangehaalde passages uit de kamerstukken. Veeleer blijkt daaruit dat de wetgever de beoordeling of er sprake is van overwegende bezwaren, ook met betrekking tot het collectief vervoer, aan de gemeenten laat, omdat het niet mogelijk is in het algemeen aan te geven welk financieel risico gemeenten precies lopen wanneer zij collectieve diensten aanbesteden en de burgers met een pgb kiezen voor andere voorzieningen of aanbieders. Efficiencyoverwegingen kunnen vallen onder ‘overwegende bezwaren’ voor mensen die met het collectief vervoer reizen (Eerste Kamer 2005-2006, 30 131, C, p 19 en 20).

4.5. Ingevolge de artikelen 3:46 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient een besluit respectievelijk een beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering. Hieruit vloeit voort dat een beslissing van burgemeester en wethouders, inhoudende dat er overwegende bezwaren bestaan tegen het bieden van een keuze voor een pgb als alternatief voor collectief vervoer, dient te berusten op relevante feiten en omstandigheden.

4.6. In het besluit op bezwaar is vermeld, dat de gemeente er aanzienlijk belang bij heeft om zoveel mogelijk belanghebbenden te laten deelnemen aan het collectief vervoer teneinde het collectief vervoerssysteem verantwoord te kunnen laten functioneren. Nu de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangegeven dat dit standpunt berust op een - niet nader gespecificeerde - algemene landelijke ervaring en niet op feiten en omstandigheden met betrekking tot het collectief vervoersysteem in het vervoersgebied van de gemeente Velsen, kan dit niet gelden als een deugdelijk gemotiveerd overwegend bezwaar, als bedoeld in artikel 6 van de Wmo.

4.7. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit van 19 februari 2008 wegens een motiveringsgebrek niet in stand kan blijven.

4.8. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.9. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) J. Waasdorp.

IJ