Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
09-489 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor een vervoersvoorziening in de vorm van een verplaatsingsmiddel voor sportbeoefening, anders dan een sportrolstoel. De Raad stelt vast dat het College gelet op de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening verstrekking van de gevraagde voorziening wel noodzakelijk acht voor appellant, maar op grond van een - gezien het voorgaande onjuiste - opvatting over de strekking van die aanvraag en over de toepasselijke wet- en regelgeving en beleidsregels die tegemoetkoming heeft beperkt tot een forfaitair bedrag van € 2.500,--. Op grond van de aanvraag van toepassing zijnde regelgeving en beleidsregels is het College in beginsel gehouden om aan appellant een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de werkelijke kosten van het door hem aangevraagde verplaatsingsmiddel, rekening houdend met een eigen aandeel dat afhankelijk is van het inkomen van appellant. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/189
RSV 2010/260 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/489 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 december 2008, 08/145 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.F. de Graaf, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Graaf. Het College heeft zich met bericht vooraf niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is onder meer bekend met een progressieve, chronische gewrichtsaandoening waarbij vooral zijn knieën en rug zijn aangedaan. Als gevolg van deze aandoening ondervindt appellant beperkingen in zijn mobiliteit. In verband hiermee heeft het College aan hem bij besluit van 3 oktober 2005 in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) onder meer een rolstoel verstrekt. Appellant kan deze rolstoel gebruiken voor zijn verplaatsingen buitenshuis en voor sportactiviteiten. Blijkens de aan het besluit ten grondslag liggende rapportage is bij de verstrekking van de rolstoel ermee rekening gehouden dat de rolstoel geschikt moet zijn om daaraan eventueel later een zogenoemde handbike te koppelen met het oog op sportbeoefening.

1.2. Op 7 november 2006 heeft appellant bij het College een aanvraag voor een handbike ingediend. Uit een op verzoek van het College door het bureau Trompetter & Van Eeden uitgevoerd onderzoek komt naar voren dat, gelet op de sportieve levenstijl van appellant, een elektrisch ondersteunde handbike die aan de rolstoel gekoppeld kan worden een adequate oplossing is. Volgens een offerte van Beenhakker Revacore bedragen de kosten hiervan € 6.382,93. Vervolgens is appellant bij besluit van 11 juli 2007 in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en met toepassing van artikel 28, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoorn éénmalig een bedrag van € 2.500,-- toegekend voor de kosten van de aanschaf en het gebruik van een sportvoorziening. Met deze voorziening is appellant volgens het College voldoende gecompenseerd om zijn belemmeringen bij het uitoefenen van zijn sport op te heffen.

1.3. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat zowel onder de Wvg als onder de Wmo bij het verstrekken van sportrolstoelen sprake is van buitenwettelijk beleid. Dit betekent volgens het College dat sprake is van beleidsvrijheid en dat dit beleid mag worden gevolgd, zolang met het volgen van dat beleid geen onredelijke uitkomst wordt bewerkstelligd. De wettelijke compensatieplicht geldt niet voor de sportrolstoel. Appellant heeft het volgens de regels van de gemeente maximale bedrag toegekend gekregen, zodat hiermee het gemeentelijke beleid is gevolgd. Het College neemt voorts het standpunt in dat de rolstoel van appellant feitelijk geen rolstoelvoorziening, maar een vervoersvoorziening is en dat appellant de handbike niet uitsluitend als sportvoorziening wil, maar ook als aanpassing op zijn vervoersvoorziening (rolstoel). Hiervoor gelden andere criteria. Het College ziet geen reden om af te wijken van zijn beleid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 november 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil is beperkt tot de vraag of het College in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 37 van de Verordening, door geen hoger bedrag toe te kennen dan het maximum voor een persoonsgebonden budget. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in de Beleidsregels Wmo, nu niet is komen vast te staan dat appellant alleen sport kan beoefenen met behulp van de handbike.

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot het toepasselijke recht.

4.1.1. Artikel 40 van de Wmo, voor zover hier van belang, luidt:

“1. De Wet voorzieningen gehandicapten wordt ingetrokken, met dien verstande dat:

(…)

d. zij van toepassing blijft ten aanzien van een aanvraag om een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening, bedoeld in artikel 5 van deze wet, heeft vastgesteld, doch uiterlijk tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet. (…)”

Artikel 42 van de Wmo luidt:

“Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.”

4.1.2. De Raad is van oordeel dat artikel 40, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo aldus moet worden uitgelegd dat op een aanvraag om een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoel de bepalingen van de Wvg van toepassing zijn gebleven tot drie maanden nadat de gemeenteraad de in artikel 5 van de Wmo bedoelde verordening heeft vastgesteld. Uit artikel 42 van de Wmo vloeit voort dat, indien deze verordening vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, op zo’n aanvraag de bepalingen van de Wvg van toepassing blijven tot en met 31 december 2006. De Raad vindt voor deze uitleg steun in de wetsgeschiedenis, in het bijzonder in het daarin tot uitdrukking gebrachte standpunt dat het gewenst is dat de met de uitvoering van de Wmo belaste gemeentelijke diensten een termijn van drie maanden wordt gegund om de uitvoering aan te passen aan de nieuwe wet. (Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 29, blz. 107; Kamerstukken I 2005-2006, 30 131, E, blz. 27; Handelingen EK 27 juni 2006, blz. 1605).

4.1.3. De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Hoorn de in artikel 5 van de Wmo bedoelde Verordening heeft vastgesteld in zijn vergadering van 12 september 2006. Hij stelt verder vast dat de in geding zijnde aanvraag van appellante voor de onderhavige voorziening is ingediend op 7 november 2006. Dit betekent dat de bepalingen van de Wvg op die aanvraag van toepassing zijn gebleven.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het College de aanvraag ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van de Wmo en de daarop gebaseerde regelgeving en beleidsregels. Het besluit op bezwaar van 27 november 2007 berust dan ook op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal - met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen - het beroep tegen het besluit van 27 november 2007 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen.

4.3. Met betrekking tot de vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten overweegt de Raad het volgende.

4.3.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Deze voorzieningen moeten ingevolge artikel 3 van de Wvg verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen. Ter uitvoering van deze bepaling heeft de gemeenteraad van de gemeente Hoorn de Verordening Voorzieningen Gehandicapten Gemeente Hoorn 2004 (hierna: Verordening) vastgesteld.

4.3.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit een voorziening in natura in de vorm van:

(…)

d. een ander verplaatsingsmiddel.

Artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder e, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit een tegemoetkoming in of een vergoeding van de kosten van aanschaf en gebruik van een ander verplaatsingsmiddel.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken rolstoelvoorziening bestaan uit een sportrolstoel.

Op grond van onder meer artikel 3.1, zesde lid, en artikel 4.1, tweede lid, van de Verordening heeft het College het Besluit Voorzieningen Gehandicapten Gemeente Hoorn 2004 (hierna: Besluit) vastgesteld.

4.3.3. Artikel 3, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat tot en met 1,5 maal het norminkomen geen aandeel is verschuldigd bij een financiële tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk IV van dit besluit. Op grond van het derde lid is vanaf 1,5 maal het norminkomen de hoogte van het eigen aandeel afhankelijk van de hoogte van het inkomen.

Artikel 23, eerste lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, bepaalt dat de financiële tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en gebruik van een ander verplaatsingsmiddel als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, onder e, van de Verordening bij een inkomen tot 1,5 het norminkomen 100% bedraagt. Ingevolge het tweede lid is de hoogte van het eigen aandeel vanaf 1,5 maal het norminkomen afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Het bedrag aan eigen aandeel zal blijkens deze bepaling nooit hoger zijn dan € 450,--.

4.3.4. Artikel 24 van het Besluit luidt als volgt:

1. Voor sportbeoefening kunnen verplaatsingsmiddelen, anders dan een sportrolstoel, worden verstrekt.

2. De gehandicapte kan voor een voorziening als bedoeld in lid 1 in aanmerking komen, wanneer:

a. er sprake is van een actieve lidmaatschap van een sportvereniging;

b. het aantal lidmaatschappen in redelijke verhouding staat tot het inkomen van de gehandicapte.

3. De voorziening wordt verstrekt met toepassing van de artikelen 3.1, lid 2, onder c (lees: d), respectievelijk 3.1, lid 3, onder e, van de Verordening.

Blijkens de toelichting bij deze bepaling kan bij een verplaatsingsmiddel bij sportbeoefening gedacht worden aan een tandemracefiets voor visueel gehandicapten of aan drie(vier)wielracefietsen. Artikel 24 strekt zich niet verder uit dan het verstrekken van verplaatsingsmiddelen, die bestemd zijn voor het actief beoefenen van een sport.

4.3.5. Ter invulling van zijn bevoegdheid om onder meer vervoersvoorzieningen te verstrekken heeft het College beleid vastgesteld dat is neergelegd in het Verstrekkingenboek Voorzieningen Gehandicapten Gemeente Hoorn 2004 (hierna: Verstrekkingenboek). In paragraaf 4.22, dat is opgenomen in hoofdstuk 4 van het Verstrekkingenboek en dat ziet op vervoersvoorzieningen, is het beleid neergelegd dat het vijfde wiel een voorziening is die gekoppeld kan worden aan een rolstoel. Het vijfde wiel vergroot de actieradius voor de gehandicapte die zich in een rolstoel voortbeweegt. Verstrekking van een elektrische buitenwagen voor de korte en middellange afstand is hierdoor overbodig. De handbike is een driewielig, handaangedreven ligfiets. Het vergroot de actieradius van de gehandicapte die zich op een andere wijze niet zou kunnen voortbewegen op de middellange afstand. Elektrisch buitenvervoer is voor de gehandicapte niet adequaat. De handbike wordt als regel in bruikleen verstrekt.

4.3.6. De Raad is gelet op de beschikbare gegevens en in het bijzonder de op de aanvraag gegeven toelichting van oordeel dat de aanvraag voor een - aan de rolstoel van appellant te koppelen - handbike moet worden gekwalificeerd als een aanvraag voor een vervoersvoorziening in de vorm van een verplaatsingsmiddel voor sportbeoefening, anders dan een sportrolstoel, als bedoeld in artikel 3.1, aanhef en onder e, van de Verordening in verbinding met artikel 24 van het Besluit en paragraaf 4.22 van het Verstrekkingenboek.

4.3.7. De Raad stelt vast dat het College gelet op de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening verstrekking van de gevraagde voorziening wel noodzakelijk acht voor appellant, maar op grond van een - gezien het voorgaande onjuiste - opvatting over de strekking van die aanvraag en over de toepasselijke wet- en regelgeving en beleidsregels die tegemoetkoming heeft beperkt tot een forfaitair bedrag van € 2.500,--. Op grond van de Wvg en de hiervoor vermelde, op de onderhavige aanvraag van toepassing zijnde regelgeving en beleidsregels is het College in beginsel gehouden om aan appellant een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de werkelijke kosten van het door hem aangevraagde verplaatsingsmiddel, rekening houdend met een eigen aandeel dat afhankelijk is van het inkomen van appellant.

4.3.8. Gezien het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het besluit van 27 november 2007 niet in stand blijven. Het College zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 november 2007 gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. Waasdorp.

IJ