Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
09-5280 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opgave foutief woonadres. Betrokkene had tijdig moeten reageren op de waarschuwingsbrief en alsnog binnen de in de waarschuwingsbrief gestelde termijn haar juiste woonadres aan appellant moeten doorgeven. Voor zover betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat ze de afwijking in registratie tussen de beide adressen niet ongedaan hoefde te maken omdat ze op hetzelfde terrein liggen, deze onjuiste veronderstelling voor haar rekening en risico komt. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/229
BA 2010/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5280 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 augustus 2009, 09/577 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding appellant in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Voor appellant is verschenen dr. K. Meijer. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 6 september 2008 heeft betrokkene via internet aan appellant als woonadres opgegeven [adres 1] te [woonplaats]. Deze wijziging van woonadres is met ingang van 1 september 2008 verwerkt in het Bericht Studiefinanciering 2008, nr. 2, van 19 september 2008.

1.2. Bij schrijven van 12 oktober 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat gebleken is dat het woonadres dat zij aan hem heeft opgegeven ([adres 1] te [woonplaats]) in de maand september 2008 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2] te [plaatsnaam 1]). Betrokkene is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende vanaf september 2008 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

1.3. Vervolgens heeft appellant bij besluiten van 12 december 2008 de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van september 2008 omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Het hiertegen door betrokkene ingediende bezwaar is bij besluit van 27 maart 2009 door appellant ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Overwogen is daartoe dat betrokkene heeft verzuimd de afwijking tussen het woonadres dat betrokkene aan appellant heeft opgegeven en hetgeen is geregistreerd in de GBA ongedaan te maken. De gemeente heeft betrokkene weliswaar op 5 september 2008 ingeschreven op het adres [adres 3] te [woonplaats] maar hiermee was het aan appellant opgegeven woonadres ([adres 1] te [woonplaats]) nog niet gelijk aan het GBA-adres. Pas met de op 4 januari 2009 via internet aan appellant doorgegeven woonadreswijziging was er sprake van overeenstemming van adressen.

2.1. In beroep tegen het besluit van 27 maart 2009 heeft betrokkene aangevoerd dat ze ervan uitging dat de brief van 12 oktober 2008, waarin het oude GBA-adres te [plaatsnaam 1] stond, op een misverstand berust nu ze zich reeds op 5 september 2008 in de GBA heeft ingeschreven op het adres van de campus van de Hoge Hotelschool, [adres 3] te [woonplaats]. Ze heeft zich niet ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] want dit is het adres van de Hoge Hotelschool. Indien in de waarschuwingbrief deze twee adressen in [woonplaats] hadden gestaan dan had ze begrepen dat er iets fout was gegaan.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 maart 2009 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding van griffierecht. Daartoe is overwogen – kort weergegeven – dat betrokkene redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de geconstateerde adresafwijking. De rechtbank wijst er daartoe op dat betrokkene met de waarschuwingsbrief van 12 oktober 2008, die uitgaat van een onjuist GBA-adres, feitelijk niet in de gelegenheid is gesteld om de fout te herstellen. Daarnaast hecht de rechtbank betekenis aan de omstandigheid dat de campus waar betrokkene woonachtig was (adres [adres 3] te [woonplaats]) ligt op het terrein van de Hoge Hotelschool (adres [adres 1] te [woonplaats]).

3. Appellant heeft zich niet met het oordeel van de rechtbank kunnen verenigen dat betrokkene van de adresafwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Aangevoerd is dat betrokkene na ontvangst van de waarschuwingsbrief van 12 oktober 2008 het bij appellant geregistreerde woonadres had moeten laten wijzigen. Het moet betrokkene niet zijn ontgaan dat het adres waarop zij zich op 5 september 2008 had laten inschrijven in de GBA niet overeenkwam met het bij appellant als woonadres geregistreerde adres. Verwezen is naar de uitspraak van de Raad van 18 juli 2008, LJN BD8485.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat er ten tijde van belang sprake was van een afwijking in de zin van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Immers, betrokkene had aan appellant (met ingang van 1 september 2008) als woonadres opgegeven [adres 1] te [woonplaats], terwijl zij in de GBA (met ingang van 5 september 2008) stond ingeschreven op [adres 3] te [woonplaats].

4.2. De Raad is vervolgens van oordeel dat niet staande is te houden dat betrokkene van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In dit verband overweegt de Raad dat betrokkene, gezien het gestelde in het beroepschrift, conform haar eigen opgave door de gemeente Maastricht op 5 september 2008 in de GBA is ingeschreven op het adres [adres 3] te [woonplaats]. Betrokkene heeft echter op 6 september 2008, ondanks wetenschap van inschrijving in de GBA op het adres [adres 3] te [woonplaats], aan appellant een foutief woonadres ([adres 1] te [woonplaats]) opgegeven. Bovendien is door betrokkene niet adequaat gereageerd op de waarschuwingsbrief van 12 oktober 2008. Zo het betrokkene is ontgaan dat ze aan appellant begin september 2008 een foutief woonadres had opgegeven, dan had betrokkene in ieder geval tijdig moeten reageren op de waarschuwingsbrief van 12 oktober 2008 en had zij alsnog binnen de in de waarschuwingsbrief gestelde termijn haar juiste woonadres aan appellant moeten doorgeven. Gezien de wetenschap die bij betrokkene heeft bestaan omtrent het verschil in adres tussen de campus waar ze woonachtig was en het adres van de Hoge Hotelschool zelf, is de omstandigheid dat de waarschuwingsbrief van 12 oktober 2008 wijst op een op dat moment niet meer bestaande adresafwijking niet relevant.

De Raad voegt hieraan toe dat voor zover betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat ze de afwijking in registratie tussen de beide adressen niet ongedaan hoefde te maken omdat ze op hetzelfde terrein liggen, deze onjuiste veronderstelling voor haar rekening en risico komt.

4.3. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep moet ongegrond worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Mostert.

EV