Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
09-4205 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd waarom er – naast de in de FML neergelegde beperkingen – geen noodzaak is voor een verdergaande urenbeperking, zoals door betrokkene is bepleit. De Raad kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat onjuist is het door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 4 februari 2009 ingenomen standpunt dat het aan de (bezwaar)arbeidskundige is om te beoordelen of de aangegeven belastbaarheid wel of niet aansluit bij de belasting in het eigen werk. Gelet op de bepalingen van de WAO en het Schattingsbesluit is dat laatste nu juist bij uitstek de taak van de (bezwaar)arbeidsdeskundige. Betrokkene is terecht in staat geacht tot het verrichten van passende arbeid. Vergelijking van het door betrokkene geldende maatmaninkomen met het loon dat hij nog kan verdienen met voor hem passend te achten werkzaamheden, ook met inachtneming van de reductiefactor, resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zoals genoegzaam gemotiveerd naar voren komt uit de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 augustus 2007 en 5 januari 2009. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4205 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2009, 07/2632 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [naam werkgeefster], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgeefster).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 21 juli 2009 overgelegd.

Namens betrokkene heeft mr. W.F.C. van Megen, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd door middel van indiening van een rapportage van bezwaarverzekeringsarts Koek van 6 oktober 2009.

Mr. M.I. van Dijk, advocaat te Utrecht, heeft de Raad verzocht de werkgeefster als partij aan het geding te laten deelnemen.

Betrokkene heeft geen toestemming gegeven zijn medische gegevens aan de werkgeefster ter kennis te brengen.

De werkgeefster heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te geven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen. Betrokkene was vertegenwoordigd door mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, als opvolgend raadsman van mr. Van Megen, voornoemd. De werkgeefster is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is in 1991 uitgevallen voor zijn voltijdse werk als automatiseringsdeskundige wegens onder meer nek- en hoofdpijnklachten en verlies van concentratie na auto-ongeval.

1.2. Met ingang van 8 mei 1992 is aan betrokkene onder andere een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, doch met toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Met ingang van 3 augustus 1992 is de korting wegens inkomsten uit arbeid vervallen.

1.3. Bij besluit van 15 april 1993 is de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 1 juni 1993 ingetrokken. Betrokkene werd geschikt geacht voor zijn eigen werk.

Het tegen het besluit van 15 april 1993 door betrokkene ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 13 juni 1995 (93/1328/19) gegrond verklaard en dit besluit is vernietigd. Daaraan lag ten grondslag het nadere standpunt van (een rechtsvoorganger van) appellant, ingenomen na kennisneming van het door de door de rechtbank als deskundige benoemde neuroloog G.N. Mallo uitgebrachte rapport van 16 februari 1995, dat het besluit van 15 april 1993 niet langer werd gehandhaafd en dat betrokkene met ingang van 1 juni 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% zal ontvangen. De conclusies van Mallo hielden in dat bij betrokkene op en na 1 juni 1993 beperkingen bestonden ten aanzien van het verrichten van middelzwaar tot zwaar nekbelastende arbeid en tevens in het kader van zijn concentratie- en geheugenstoornissen in de vorm van werkzaamheden die een langdurige (meer dan 3 uur aaneengesloten) optimale concentratie behoefden. Volgens Mallo was betrokkene op 1 juni 1993 niet in staat zijn werk als systeemanalist/programmeur volledig te verrichten, gezien zijn concentratie- en geheugenstoornissen, doch leek hij op die datum geschikt te zijn werkzaamheden te verrichten gedurende 6 uur per dag, gedurende 5 dagen per week, met overdag voldoende recuperatiemogelijkheid na 3 uur werken.

1.4. In het Scoreformulier Functie Informatie Systeem van 29 juni 2005 en de “Verwoording belastbaarheid belanghebbende” van 4 juli 1995 is door verzekeringsgeneeskundige H.B.M. Hesse onder meer vermeld dat betrokkene, die dan weer gedurende 20 uur per week in het eigen werk werkzaam was, onder meer beperkt was ten aanzien van dwingend werktempo. Hij werd geacht maximaal 2 maal 3 uur, mits daarin een pauze van 1 uur of 1 maal 4 uur per dag te kunnen werken. In een arbeidskundig rapport van 14 juli 1995 is neergelegd dat betrokkene gedeeltelijk geschikt is te achten voor de eigen functie en dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongeveer 50% was. In overeenstemming met deze conclusies is de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 9 oktober 1995 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.5. Bij besluiten van achtereenvolgens 12 juli 2001 en 9 juli 2004 is de WAO-uitkering van betrokkene ongewijzigd voortgezet.

2.1. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts J.C. Roos betrokkene onderzocht tijdens een spreekuurcontact op 25 augustus 2006. Bij lichamelijk onderzoek trof hij lichte nekbeperkingen aan, met drukpijnlijke punten op spiergroepen. De functie van de schouders was onbelemmerd. Ten aanzien van de psyche vond Roos geen aanwijzingen voor stoornissen in concentratie of aandacht. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 augustus 2006 gaf de verzekeringsarts onder meer weer dat het concentreren en verdelen van de aandacht normaal was. Tevens werd betrokkene in staat geacht gemiddeld ongeveer 8 uur per dag/ 40 uur per week te werken.

2.2. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige geoordeeld dat betrokkene voltijds beschikbaar werd geacht voor de eigen, maatgevende arbeid en daarnaast voor een aantal functies, op basis waarvan zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

2.3. Bij besluit van 28 februari 2007 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 29 april 2007 ingetrokken op de grond dat hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

3.1. In bezwaar heeft betrokkene naar voren gebracht dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is toegenomen, althans zeker niet is afgenomen. Hij acht zich meer beperkt dan door de verzekeringsarts is aangenomen en meent slechts 4 uur per dag te kunnen werken. Gelet op de ongewijzigde medische situatie had een uitgebreider medisch onderzoek moeten plaatsvinden. De geduide functies acht betrokkene niet passend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft betrokkene tijdens de hoorzitting brieven van zijn huisarts van 25 mei 2007 en van zijn fysiotherapeut van 10 mei 2007 overgelegd.

3.2. In haar rapportage van 13 juni 2006 (lees: 2007) heeft bezwaarverzekeringsarts Koek, die op de hoorzitting aanwezig was, geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat de verzekeringsarts de beperkingen van betrokkene heeft onderschat.

Er zijn geen ernstige beperkingen gevonden in de bewegingsmogelijkheden van de extremiteiten en nek. Tijdens een eerdere beroepsprocedure werden bij onderzoek door diverse specialisten geen afwijkingen aangetoond. Alleen bij 2 ½ uur aaneengesloten intensief concentreren nam de concentratie af.

De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek geen ernstige tekortkomingen gevonden in het cognitief functioneren, bij lichamelijk onderzoek geen ernstige afwijkingen of bewegingsbelemmeringen, anders dan een lichte beperking in draaien van de nek en volledig buigen tot de kin op de borst, welke bevindingen aansluiten bij de gegevens en bevindingen van de specialisten van destijds. Verdergaande beperkingen zijn dan ook niet aangewezen. In de verklaringen van de huisarts en de fysiotherapeut worden de spierpijnklachten bevestigd, maar geen nieuwe feiten genoemd. Verder heeft Koek in haar rapportage aan de hand van de Standaard verminderde arbeidsduur gemotiveerd waarom er naast het aannemen van beperkingen in fysieke inspanningen van de nek en schouders en psychisch sterk stresserende omstandigheden niet kan worden gesproken van een noodzaak tot een verdergaande urenbeperking. Ten slotte heeft zij in de FML van 13 juni 2007 als toelichting op het (normaal scorende) item concentreren van de aandacht gegeven: “ maximaal 2 ½ uur aaneengesloten” en een tweetal items aangevuld.

3.3. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst in een rapport van 13 augustus 2007, na onder andere beoordeling van de geduide functies in het licht van de toelichting van Koek bij het item concentreren van de aandacht, geconcludeerd dat betrokkene geschikt is te achten (primair) voor de eigen (maatgevende) of soortgelijke arbeid in volledige omvang en (subsidiair) voor een aantal functies met een theoretisch verlies van verdiencapaciteit van minder dan 15%.

3.4. In overeenstemming met de in 3.2 en 3.3 genoemde rapportages is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 februari 2007 bij besluit van 20 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.1. In beroep heeft betrokkene zijn standpunt herhaald dat zijn medische situatie al jaren ongewijzigd is, dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Meer dan de 4 uur per dag, 20 uur per week, die hij werkt in zijn eigen baan, kan hij niet werken.

4.2. Onder verwijzing naar rapporten van bezwaarverzekeringsarts Koek van 13 januari en 4 februari 2009 en van bezwaararbeidsdeskundige Van der Hulst van 5 januari en 17 februari 2009 heeft appellant zijn standpunt zoals neergelegd in het bestreden besluit gehandhaafd.

4.3. De rechtbank heeft het medisch onderzoek als onzorgvuldig en onvolledig aangemerkt en geconcludeerd dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke medische en daarmee ook arbeidskundige grondslag. Zij heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft teven beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat appellant is uitgegaan van een ongewijzigde medische situatie ten opzichte van de eerdere beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene die zich uitstrekken over een periode van twaalf jaar en waarbij is aangesloten bij dezelfde onderzoeksgegevens als destijds, maar dat er desondanks minder beperkingen zijn aangenomen. De motivering daarvoor kan slechts draagkrachtig zijn als komt vast te staan dat destijds ten onrechte beperkingen zijn opgenomen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellant de afgenomen beperkingen in dynamische handelingen en statische houdingen niet heeft gemotiveerd.

In de derde plaats heeft de rechtbank overwogen dat de opmerkingen van de deskundige Mallo ten aanzien van de concentratiestoornissen en de beperking in werkzaamheden die een langdurige (meer dan drie uur aaneengesloten) concentratie behoeven thans in de FML vertaald zijn in het item concentreren van de aandacht, terwijl dit voorheen werd vertaald in een beperking van het aantal werkuren per dag. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van Mallo is af te leiden dat de beperking ten aanzien van werkuren is terug te voeren op geconstateerde specifieke inprentingstoornissen/geheugenstoornissen dan wel een verminderd vermogen tot concentreren, het uitvoeren van cognitieve taken na ongeveer 2½ uur. Ten slotte acht de rechtbank het onjuist dat de bezwaarverzekeringsarts de beoordeling van de passendheid van het eigen werk overlaat aan de (bezwaar)arbeidsdeskundige.

5.1. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapporten van Koek van

21 juli en 6 oktober 2009. Betoogd is dat in de FML van 13 juni 2007 geen sprake is van – ten opzichte van 1995 – afgenomen beperkingen en dat de thans in de FML gegeven toelichting op het item concentreren van de aandacht in lijn is met de visie van de deskundige Mallo. Ten slotte is betoogd dat het aan de (bezwaar)arbeidsdeskundige ter beoordeling staat of een verzekerde op de datum in geding het eigen werk wel of niet kan verrichten dan wel is aangewezen op ander werk.

5.2. In het verweerschrift handhaaft de betrokkene hetgeen in beroep naar voren is gebracht. Met name wordt gewezen op de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering in 2001 en 2004 en het feit dat het Uwv gedurende vele jaren op basis van het rapport van neuroloog Mallo een urenbeperking heeft aangenomen.

6.1. Naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest en berust het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Koek in haar rapportage van 13 juni 2006 (lees: 2007) en – in hoger beroep nader gemotiveerd in haar meergenoemde rapport van 21 juli 2009 – uitvoerig en vooral overtuigend heeft gemotiveerd dat in de FML van 13 juni 2007 – op slechts 2 items na – geen sprake is van – in vergelijking met de “ verwoording belastbaarheid belanghebbende” van 4 juli 1995 – afgenomen beperkingen. Met betrekking tot de bedoelde items zitten en koude is gemotiveerd waarom er geen medische indicatie is om daarop beperkingen aan te nemen.

Voorts is de Raad van oordeel dat door Koek genoegzaam is gemotiveerd waarom ten aanzien van het item concentreren van de aandacht de normaalwaarde geldt, waarbij gekozen is voor een beperking van de bovennormaalwaarde (“maximaal 2½ uur aaneengesloten”). De Raad merkt daarbij op dat met deze laatste beperking is aangesloten bij de resultaten van een psychologisch onderzoek van klinisch psycholoog dr. J.J. Baneke van 7 juli 1993. Niet gebleken is dat deze aldus geformuleerde beperking onjuist is.

Ook is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd waarom er – naast de in de FML neergelegde beperkingen – geen noodzaak is voor een verdergaande urenbeperking, zoals door betrokkene is bepleit. Naar aanleiding van diens verweer dat de WAO-uitkering in 2001 en 2004 ongewijzigd is voortgezet, dus met inachtneming van een urenbeperking, merkt de Raad op dat aan bedoelde beoordelingen geen volledige verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten grondslag lag. In 2001 is immers, zoals ook ter zitting ter sprake is gekomen, volstaan met een beoordeling door een indicatieadviseur en in 2004 door een medisch medewerker, in beide keren slechts op basis van een door betrokkene ingevulde vragenlijst. Gelet op de ter zake gevormde rechtspraak van de Raad – verwezen zij naar de uitspraken van 29 september 2005, LJN AU3603 – kan aan beide beoordelingen en de daarop gevolgde besluiten tot ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering voor de onderhavige beoordeling niet die waarde worden gehecht die betrokkene daaraan kennelijk toegekend wil zien.

Ten slotte kan de Raad zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat onjuist is het door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 4 februari 2009 ingenomen standpunt dat het aan de (bezwaar)arbeidskundige is om te beoordelen of de aangegeven belastbaarheid wel of niet aansluit bij de belasting in het eigen werk.

Gelet op de bepalingen van de WAO en het Schattingsbesluit is dat laatste nu juist bij uitstek de taak van de (bezwaar)arbeidsdeskundige.

6.2. Met inachtneming van de functionele mogelijkheden is betrokkene terecht in staat geacht tot het verrichten van passende arbeid. Vergelijking van het door betrokkene geldende maatmaninkomen met het loon dat hij nog kan verdienen met voor hem passend te achten werkzaamheden, ook met inachtneming van de reductiefactor, resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zoals genoegzaam gemotiveerd naar voren komt uit de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 augustus 2007 en 5 januari 2009.

7. Gelet op hiervoor onder 6.1 en 6.2 is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK