Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
09-4822 WIA + 09-6178 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundige onderzoek. De Raad acht het met de rechtbank voldoende dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de bedrijfsarts bij de beoordeling heeft betrokken. Uitgaande van de aangepaste FML is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4822 WIA

09/6178 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2009, 08/270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. M.M. Altena-Staalenhoef, advocaat te Amsterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nieuw besluit van 10 november 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Voor appellant is verschenen mr. Altena-Staalenhoef. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 10 juli 2007 geen recht ontstaat op een WIA-uitkering vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 december 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar van 4 december 2007 gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, het Uwv gelast het griffierecht aan appellant te vergoeden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling de rechterlijke toets op twee punten niet kan doorstaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft onvoldoende gemotiveerd dat de beperkingen van appellant om kracht te zetten vanuit de schouder en bovenarm niet behoeven te leiden tot een beperking van het maken van schroefbewegingen. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts niet gemotiveerd waarom de pijnklachten geen aanleiding geven tot het aannemen van een beperking op het item trillingen. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 4 december 2007 een gebrekkige medische grondslag heeft en reeds om die reden niet in stand kan blijven, heeft ertoe geleid dat zij aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag niet is toegekomen.

4. Appellant heeft in hoger beroep – daarmee in essentie herhalende hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd – gesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Volgens appellant had moeten worden uitgegaan van de door de bedrijfsarts vastgestelde medische beperkingen. Verder had er onderzoek gedaan moeten worden naar het door appellant gestelde krachtverlies. Daartoe had informatie ten aanzien van het beperkte hand- en vingergebruik en de verminderde knijp- en grijpkracht moeten worden opgevraagd bij de behandelende sector. De observaties van de bezwaarverzekeringsarts zijn een momentopname en hadden niet bij de beoordeling betrokken mogen worden. Ten slotte heeft appellant gesteld dat de overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg dr. W.J. Willems betrekking heeft op de datum in geding nu deze ziet op een operatie die al voor die datum heeft plaatsgevonden.

5. Bij besluit van 10 november 2009 heeft het Uwv, uitvoering gevend aan de aangevallen uitspraak, het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 juli 2007 ongewijzigd vastgesteld op minder dan 35%. Aan dit besluit is een aangepaste FML ten grondslag gelegd waarin ook beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het maken van schroefbewegingen en trillingen. De eerder geselecteerde functies zijn gehandhaafd.

6. De Raad overweegt als volgt.

7. Met het nieuwe besluit op bezwaar van 10 november 2009 is niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellant tegen het oorspronkelijke besluit op bezwaar van 4 december 2007. Daarom zal de Raad het nieuwe besluit op bezwaar met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure betrekken.

8. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat appellant op de datum in geding medisch meer beperkt was dan is aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft gelet op zijn specifieke taak en expertise de bevindingen van de bedrijfsarts en de door de bedrijfsarts opgestelde FML niet als uitgangspunt hoeven nemen bij de beoordeling van de beperkingen van appellant. De Raad acht het met de rechtbank voldoende dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de bedrijfsarts bij de beoordeling heeft betrokken. Ten aanzien van het door appellant gestelde krachtverlies merkt de Raad op dat uit de door appellant overgelegde medische informatie blijkt dat krachtverlies kan optreden bij een grote peesruptuur. Uit de informatie van de orthopedisch chirurg W.P.C.A. Winia van 21 november 2005 en 26 juni 2007 volgt dat bij appellant sprake is van een scheur in zowel de linker- als de rechterschouder en dat intensieve spiertraining de problemen deels kan compenseren. De Raad is van oordeel dat uit deze informatie noch uit de andere beschikbare objectieve medische informatie over de gezondheidstoestand van appellant – waaronder de door appellant in beroep overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg Willems – volgt dat er sprake is van een zodanig groot krachtverlies dat als gevolg daarvan meer medische beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan de bezwaarverzekeringsarts P. Eken – die zich zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft gebaseerd op de voorhanden zijnde medische informatie en niet (mede) op haar observaties van appellant tijdens de hoorzitting – heeft vastgesteld. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie had moeten inwinnen bij de behandelende sector.

9. Uitgaande van de aangepaste FML van 29 september 2009 is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Appellant heeft de geschiktheid van de geselecteerde functies niet bestreden en de signaleringen die wijzen op een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant zijn door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende toegelicht.

10. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 10 november 2009 is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 november 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en D.J. van der Vos en M. Greebe als leden in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK