Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
08-1601 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1601 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 januari 2008, 07/1169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr A. van Deuzen, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. van den Elsaker.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. De Raad heeft dr. P. Naarding, psychiater te Apeldoorn, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Bij rapport van 26 januari 2010 heeft Naarding omtrent appellant verslag uitgebracht.

Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd door bezwaarverzekeringsarts M.P.W. Kreté met een rapport van 15 februari 2010.

Desgevraagd heeft Naarding bij schrijven van 2 maart 2010 gereageerd op de reactie van bezwaarverzekeringsarts Kreté.

Het geding is wederom behandeld ter zitting van de Raad op 18 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Simsek, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 6 oktober 1995 als gevolg van psychische klachten en rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als huishoudelijk medewerker. Aan hem is in aansluiting op de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling met toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft er medisch en arbeidskundig onderzoek plaats gehad. Op basis van de bevindingen en conclusies uit deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2006 de aan appellant toegekende

WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2007 beëindigd op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

1.3. Naar aanleiding van het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft er een bezwaarverzekeringsgeneeskundig en een bezwaararbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Gelet op de uitkomst van deze onderzoeken is bij besluit van

7 februari 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep is aangevoerd dat de verzekeringsarts appellant op het psychische vlak onvoldoende heeft onderzocht en dat ten onrechte is afgegaan op de eerste indruk die appellant heeft gewekt. Verzocht is om een deskundige te benoemen.

4.1. De in rubriek I van deze uitspraak vermelde deskundige Naarding heeft appellant op 27 november 2009 onderzocht. Naarding heeft in zijn rapport als diagnose gesteld: “Depressieve stoornis recidiverend, matig met psychotische kenmerken”. Voorts stelde Naarding een persoonlijkheidsstoornis NAO vast. Onder ‘beschrijvende diagnose’ heeft Naarding het volgende vermeld: “Onderzochte is een 49 jarige Tunesische man met depressieve, angst- en psychotische klachten. Bij een toename van stress lijken zijn klachten te verergeren. Zijn strijdvaardigheid en drang te moeten vechten tegen het onrecht dat hem persoonlijk is aangedaan lijken zijn klachten nog meer te versterken. De symptomatologie kan verklaard worden door een verstoorde balans tussen draagkracht en draaglast waarbij zijn persoonlijkheidsstructuur hem onvoldoende stabiliteit kan bieden. Mede hierdoor zit betrokkene in een vicieuze cirkel die moeilijk te doorbreken is. Een belangrijke bron van stress is momenteel zijn strijd tegen de uitkeringsinstanties.” In zijn beschouwing heeft Naarding aangegeven dat zijn huidige psychiatrische klachten worden veroorzaakt door een trauma van stress. De luxerende factor lijkt in dit geval volgens Naarding mogelijk de huidige procedure. aarding kon zich niet verenigen met de vastgestelde belastbaarheid van appellant en heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien het huidig psychiatrisch toestandsbeeld niet is in te schatten hoe de belastbaarheid van appellant is en of hij in staat is tot arbeid.

4.2. In reactie op het rapport van Naarding heeft bezwaarverzekeringsarts Kreté op 15 februari 2010 zich gemotiveerd afgevraagd of de diagnose en de beantwoording van de vraag ten aanzien van de belastbaarheid door Naarding is gericht op de datum in geding.

4.3. Naarding heeft vervolgens op 2 maart 2010 aan de Raad bericht dat de depressieve, angst-, en psychotische klachten waarschijnlijk begin 2007 in mindere mate aanwezig waren.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. De Raad heeft, in de eerste plaats, geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts als onvoldoende diepgaand of anderszins als onvoldoende zorgvuldig aan te merken. De verzekeringsarts heeft appellant medisch onderzocht, waarbij nadrukkelijk aandacht is besteed aan de psychische gezondheidssituatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant telefonisch gehoord en heeft op basis van het bezwaarschrift en de hoorzitting gesteld dat er al jaren geen sprake meer is van behandeling of medicatie op het psychische vlak, noch van specifieke klachten, hetgeen geen ernstige diagnose of psychopathologie impliceert.

Aan het rapport van de deskundige Naarding kan de Raad onvoldoende aanknopingspunten ontlenen om vast te stellen dat de bezwaarverzekeringsarts een verkeerde inschatting heeft gemaakt van de gezondheidstoestand van appellant en de daarbij behorende beperkingen op de datum in geding. De Raad acht in dit verband van belang dat Naarding heeft genoteerd dat bij een toename van stress de klachten lijken te verergeren en dat een belangrijke bron van stress lijkt te zijn gelegen in de strijd tegen de uitkeringsinstanties. Deze visie wordt ondersteund door de in het rapport van Naarding opgenomen hetero-anamnese waarin de echtgenote van appellant aangeeft dat de klachten allemaal zijn toegenomen na de herkeuring in 2007.

6. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat geacht moet worden tot het vervullen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker (SBC-code 111180), brugwachter, sluiswachter (SBC-code 282170) en conciërge, huismeester, huisbewaarder

(SBC-code 261010).

7. Het overwogene onder 5.2 en 6 voert tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK