Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN3000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
09-4947 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering. De Raad acht zich over de medische situatie van appellant voldoende voorgelicht. Een nader medisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk voor de oordeelsvorming van de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4947 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juli 2009, 08/891 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld en een aantal stukken, deels van medische aard, ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een commentaar van 29 oktober 2009 van de bezwaarverzekeringsarts

L.J. Zwemer.

Bij brief van 4 juni 2010 heeft appellant de beroepsgronden nader aangevuld en opnieuw enige stukken, deels van medische aard, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Appellant is verschenen, bij zijn gemachtigde mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek 1 van de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met vermelding van het volgende.

1.2. Het Uwv heeft de aan de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) door appellant te ontlenen aanspraken herbeoordeeld. Bij besluit op bezwaar van 20 september 2007 heeft het Uwv zijn besluit van 6 september 2006 gehandhaafd waarbij de WAZ-uitkering met ingang van 7 november 2006 is ingetrokken. Dit besluit is genomen met inachtneming van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Bij uitspraak van 3 september 2008 heeft de rechtbank het besluit van 20 september 2007 vernietigd op de grond dat het Uwv eerst in beroep het besluit had voorzien van een draagkrachtige motivering. De rechtsgevolgen van dit besluit heeft de rechtbank in stand gelaten. De Raad heeft bij uitspraak van 2 september 2009, beslissende op het tegen het instandlaten van de rechtsgevolgen door de rechtbank gerichte hoger beroep, de uitspraak van de rechtbank bevestigd, voorzover aangevochten.

1.3. Ingevolge artikel 35, zesde lid van de WAZ heeft het Uwv per 22 februari 2007 en met inachtneming van het tot

18 augustus 2004 geldende oude Schattingsbesluit de aan de WAZ door appellant te ontlenen aanspraken per

22 februari 2007 beoordeeld. Bij besluit van 20 september 2007 is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid onveranderd op minder dan 25% gesteld, zodat hij niet in aanmerking komt voor een WAZ-uitkering. Bij besluit op bezwaar van 10 april 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven geen twijfel te hebben aan de door de bezwaarverzekeringsarts Zwemer in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgelegde belastbaarheid van appellant. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op haar overwegingen in haar uitspraak van 3 september 2008 (07/2498) ten aanzien van appellants beenklachten en zijn belastbaarheid op de aspecten “zien” en “boven schouderhoogte actief zijn”. Appellant heeft, aldus de rechtbank, in het onderhavige geding geen relevante medische informatie ingezonden die in haar uitspraak van 3 september 2008 niet al was meegewogen.

2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank geoordeeld, dat anders dan door appellant is aangevoerd, in bezwaar de bezwaararbeidsdeskundige andere functies aan de schatting ten grondslag mocht leggen dan de primaire arbeidsdeskundige, omdat de herbeoordeling per 22 februari 2007 te vergelijken is met een beoordeling einde wachttijd.

2.3. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot de belasting in de geselecteerde functies deze voor appellant geschikt te achten zijn. Daarop is het beroep door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant nieuwe medische gegevens ingezonden afkomstig van zijn behandelend internist-endocrinoloog dr. P.H.N. Oomen, de behandelend oogarts M.A. Talsma en de podotherapeut E.M. Lucas. Voorts heeft appellant bestreden dat in bezwaar nieuwe functies voor de schatting konden worden gebruikt, heeft hij er op gewezen dat al in 1995 al door de verzekeringsarts was geconcludeerd dat hij niet met een beeldscherm kan werken, hetgeen wel voorkomt in de geselecteerde functies, en dat zijn ogen inmiddels verder zijn verslechterd (vide een laserbehandeling in 2009).Ten slotte heeft appellant verzocht om onderzoek door een medisch deskundige.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts Zwemer is in haar commentaar van 29 oktober 2009 in het bijzonder nog ingegaan op de ingezonden brieven van 23 september 2009 en 7 oktober 2009 van de behandelend internist Oomen. In dit commentaar heeft zij erop gewezen dat uit die gegevens blijkt dat appellant in 2006, 2007 en 2008 geen goed ingestelde diabetes mellitus had en dat dat aan de (bezwaar)verzekeringsartsen toentertijd ook duidelijk was. In zoverre is, anders dan de indruk die uit die brieven kan ontstaan, geen sprake van nieuwe medische gegevens waar geen rekening mee zou zijn gehouden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Aan het bestreden besluit ligt een zeer uitvoerig rapport van 17 maart 2008 van de bezwaarverzekeringsarts Zwemer ten grondslag. Deze heeft de hoorzitting in de bezwaarfase bijgewoond en de veelheid van medische gegevens, afkomstig van de behandelende medici, van de medisch adviseur D.J. Schakel en van de eerdere over appellant uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige rapporten in haar oordeelsvorming betrokken. De bezwaarverzekeringsarts Zwemer heeft er blijk van gegeven nog eens kritisch de eerdere rapportages van haar collega-verzekeringsartsen te hebben gewogen en te hebben aangegeven waarom dit ten aanzien van een aspect wel tot aanpassing van de FML moest leiden en waarom, ondanks een niet geheel juiste eerdere beoordeling, aanpassing toch achterwege kon blijven. Zij heeft het resultaat van haar afwegingen neergelegd in de FML van 17 maart 2008. Mede gelet op het in hoger beroep gegeven commentaar door de bezwaarverzekeringsarts op de gegevens van de behandelend internist vermag de Raad niet in te zien dat niet op juiste wijze de bij appellant bestaande arbeidsbeperkingen in kaart zijn gebracht. Weliswaar heeft appellant uitvoerig en met tal van argumenten aangevoerd dat bij de medische beoordeling essentiële zaken zijn gemist, maar de Raad is daarvan niet kunnen blijken. Integendeel, met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Zwemer staat voor de Raad genoegzaam vast dat rekening is gehouden met de door appellant en zijn medisch adviseur eerder geuite kritiek. De omstandigheid dat na 22 februari 2007 mogelijkerwijs de medische situatie van appellant weer is veranderd (ook daarvoor geeft het rapport van de bezwaarverzekeringsarts een aanknopingspunt) laat onverlet dat per die datum naar het oordeel van de Raad de belastbaarheid van appellant in de FML naar behoren is weergegeven. Terecht heeft de rechtbank de laserbehandeling in 2009 niet van belang geacht voor de beoordeling per 22 februari 2007. De Raad acht het aannemelijk dat de klachten waarvoor deze laserbehandeling is uitgevoerd ook al daarvoor aanwezig waren, maar doorslaggevend acht de Raad, dat niet aannemelijk is geworden dat de oogklachten per 22 februari 2007 door de bezwaarverzekeringsarts zijn onderschat. Ook de in hoger beroep overgelegde gegevens van de oogarts Talsma geven daarvoor geen aanknopingspunt.

4.4. Met betrekking tot de vraag of in de bezwaarfase andere functies voor de schatting mochten worden gebruikt wijst de Raad erop dat appellant op 22 februari 2007 al in de situatie verkeerde dat hij geen recht had op een uitkering ingevolge de WAZ. Die uitkering was immers bij besluit van 6 september 2006 per 7 november 2006 ingetrokken. Door de uitspraak van de Raad van 2 september 2009 staat dit intrekkingsbesluit in rechte vast. Aldus verkeert appellant in geen andere situatie dan diegene die geen arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft en verzoekt om toekenning van een dergelijke uitkering. Vaste rechtspraak van de Raad is dat in een dergelijke geval als een of meer van de oorspronkelijk geselecteerde functies niet geschikt blijken te zijn andere functies daarvoor in de plaats kunnen worden geselecteerd. Anders dan in gevallen van herziening of intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering behoeft de verzekerde zich immers niet in te stellen op een gewijzigde inkomenssituatie, waarbij voor hem van belang is tijdig op de hoogte te zijn van voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden.

4.5. Naar in het hiervoor overwogene al ligt besloten acht de Raad zich over de medische situatie van appellant ten tijde hier in geding voldoende voorgelicht. Een nader medisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk voor de oordeelsvorming van de Raad.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

RK