Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
09-5001 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5001 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juli 2009, 08/2152 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M.A. Swarts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in rubriek 1 van de aangevallen uitspraak daaromtrent heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij het op bezwaar genomen besluit van 19 augustus 2008 (het bestreden besluit) zijn besluit van 25 maart 2008 heeft gehandhaafd. Daarbij is geweigerd terug te komen van een besluit van 15 november 2005 waarbij de aanvraag van appellant tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is afgewezen. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit onherroepelijk is geworden.

1.2. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om van het besluit van 15 november 2005 terug te komen heeft de verzekeringsarts J.G. Hensen de medische situatie van appellant opnieuw beoordeeld. In de bezwaarfase van de besluitvorming heeft de bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer nagegaan of de in bezwaar aangevoerde argumenten aanleiding gaven om af te wijken van de eerdere medische oordeelsvorming, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat zij geen aanleiding had te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts Hensen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan het Uwv had dienen terug te komen van zijn eerdere afwijzing van appellants aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het niet eens is met de aangevallen uitspraak, omdat er wederom alleen gekeken wordt naar regels in plaats van wat er werkelijk gebeurd is en de wijze waarop de zogenaamde Wajong aanvraag van 2005 is behandeld aan alle kanten niet klopt. In het bijzonder is appellant van mening dat het aan de afwijzing van de aanvraag mede ten grondslag liggend psychologisch onderzoek broddelwerk is en dat dit conclusies over zijn persoon en gedrag behelst die hij en zijn omgeving zelf niet herkennen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. Hetgeen appellant hiervoor onder 3 heeft aangevoerd heeft appellant ook aangevoerd in het kader van zijn herhaalde aanvraag. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

RK