Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
09-6568 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van bezwaarverzekeringsarts M. Keus ten aanzien van de in hoger beroep door appellant ingebrachte medische informatie. Rond de datum in geding en ten tijde van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts in november 2008 heeft appellant niet gemeld dat hij last had van pleinvrees. Voorts komt uit de ingebrachte stukken naar voren dat de behandelaars activering noodzakelijk achten, wat, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, niet past bij een ernstiger psychiatrisch beeld dat werken onmogelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6568 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 november 2009, 09/462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.W. Plaat, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn nadere medische gegevens ingediend, waarop door het Uwv gereageerd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant heeft op 20 maart 2000 vanwege psychische klachten zijn werkzaamheden van schoonmaker gestaakt. Einde wachttijd werd hem een uitkering ingevolge van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.2. Bij besluit van 9 april 2008 is de uitkering van appellant met ingang van 9 juni 2008 ingetrokken, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dat 15% werd geacht.

2.3. Bij besluit van 11 december 2008 is het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. Appellant is tegen dit besluit in beroep gekomen.

3.2. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat zijn rugbelastbaarheid door de (bezwaar)verzekeringsartsen is overschat. De rechtbank overwoog daartoe dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling informatie van de neuroloog, radioloog en orthopedisch chirurg meegewogen had en afdoende gemotiveerd had waarom er niet meer beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgenomen dienden te worden. Voor wat betreft zijn psychische problematiek was de rechtbank van oordeel dat hiermee eveneens afdoende rekening gehouden was. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant op de datum in geding niet meer onder behandeling was voor zijn psychische klachten en in de FML meerdere psychische beperkingen aangenomen worden.

3.3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4.1. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Hij heeft daarbij aangegeven vanwege fysieke en psychische klachten niet in staat te zijn (lichte) werkzaamheden te verrichten. In de bijlage bij het hoger beroepsschrift geeft de huisarts van appellant aan dat deze last heeft van nek-, lage rug-, maag- en depressieve klachten zonder reactie op ingestelde therapieën. De behandelend psychiater had aan de huisarts gevraagd de behandeling met medicatie over te nemen. Daarbij had de psychiater aangegeven dat de medicatie niet tot een verbetering van de situatie geleid had, maar dat de klachten van appellant in ieder geval hierdoor niet verergerden.

4.2. Bij schrijven van 8 juni 2010 is van de zijde van appellant een rapport over zijn op 7 mei 2009 ingezette behandeling vanwege stemmingsklachten bij PsyQ ingebracht. Psycholoog N. Kammermaat heeft daarbij als diagnose gesteld een dysthyme stoornis, een matige, eenmalige depressie en agorafobie zonder paniekstoornis. De behandeling vindt plaats middels medicatie en begeleiding door een sociaalpsychiatrische verpleegkundige.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van bezwaarverzekeringsarts M. Keus ten aanzien van de in hoger beroep door appellant ingebrachte medische informatie. Uit de brieven van de huisarts volgt volgens de bezwaarverzekeringsarts niet dat de psychische belastbaarheid zou zijn overschat. Er zijn in de FML uitgebreide beperkingen ten aanzien hiervan aangenomen. De behandeling bij PsyQ dateert van elf maanden na de datum in geding, te weten 9 juni 2008. Dat appellant depressieve klachten ervaart was al bekend. Rond de datum in geding en ten tijde van de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts in november 2008 heeft appellant niet gemeld dat hij last had van pleinvrees. Voorts komt uit de ingebrachte stukken naar voren dat de behandelaars activering noodzakelijk achten, wat, zo stelt de bezwaarverzekeringsarts, niet past bij een ernstiger psychiatrisch beeld dat werken onmogelijk maakt.

5.3. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

RK