Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
08-1955 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring voor zover het is gericht tegen het (deel)besluit om de werkgever niet alsnog weer toe te laten tot het publieke bestel per 1 juli 2004. Indien in een besluit op bezwaar tegen een toerekenings- of verhaalsbesluit een beslissing wordt genomen op een verzoek om terug te mogen keren naar het publieke bestel, staat daartegen bezwaar open. Hetgeen het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1955 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2008, 07/2537 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever)

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 30 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de werkgever heeft mr. I. Geenen, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2010. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Voor de werkgever is verschenen P.H. van Hees, bijgestaan door mr. I. Staps-Geenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 september 2002 is [naam werknemer] (hierna: de werknemer) bij de werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst tot 1 september 2003. Op 8 juli 2003 is hij wegens ziekte voor zijn werkzaamheden uitgevallen. Het Uwv heeft hem bij besluit van 2 november 2004 met ingang van 6 juli 2004 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De werkgever is per 1 juli 2004 eigen risicodrager geworden voor de WAO. Bij besluit van 26 april 2007 heeft het Uwv aan de werkgever medegedeeld dat hij, gezien het feit dat hij per 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden, op grond van artikel 75a van de WAO vanaf 6 juli 2004 de WAO-uitkering van de werknemer moet betalen, zolang deze uitkering nog geen vijf jaar heeft geduurd. Dit betreft een zogeheten toerekeningsbesluit.

1.3. Bij besluit van 29 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door de werkgever tegen het toerekeningsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het Uwv tevens beslist op het verzoek van de werkgever om met terugwerkende kracht per 1 juli 2004 terug te mogen keren naar het publieke bestel. Volgens het Uwv voldoet de werkgever niet aan de daarvoor in de interne beleidsregels gestelde voorwaarden.

1.4. De werkgever heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit dat het Uwv heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van de werkgever om met terugwerkende kracht per 1 juli 2004 terug te mogen keren naar het publieke bestel niet kan worden gezien als een besluit op bezwaar, maar als een eerste besluit, genomen naar aanleiding van hetgeen tussen partijen is besproken op de hoorzitting in bezwaar. De rechtbank heeft gelet hierop het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het (deel)besluit om de werkgever niet alsnog weer toe te laten tot het publieke bestel per 1 juli 2004. De rechtbank heeft overwogen dat zij op grond van artikel 6:15, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden is om het beroepschrift door te zenden aan het Uwv om als bezwaarschrift af te handelen, maar dat zij niet tot daadwerkelijke doorzending hoeft over te gaan nu het Uwv over het beroepschrift beschikt. Het is aan het Uwv om in bezwaar te heroverwegen of de werkgever alsnog tot het publieke bestel kan worden toegelaten. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. Het Uwv is in hoger beroep gekomen en heeft zijn hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank dat het Uwv nog gehouden is om te beslissen op het bezwaar tegen het (deel)besluit om de werkgever niet alsnog weer per 1 juli 2004 toe te laten tot het publieke bestel. Het Uwv betoogt dat de interne richtlijn die is opgesteld om verzoeken als de onderhavige te beoordelen, alleen aan de orde kan zijn in bezwarenprocedures tegen toerekenings- of verhaalsbesluiten en dat buiten die bezwaarprocedure geen wettelijke regeling bestaat om met terugwerkende kracht terug te keren in het publieke bestel.

4.1. De Raad, zich beperkend tot het punt van geschil, oordeelt als volgt.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over het karakter van het besluit dat het Uwv heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van de werkgever om met terugwerkende kracht per 1 juli 2004 terug te mogen keren naar het publieke bestel. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, zie bijvoorbeeld zijn uitspraken van 12 maart 2010

(LJN BL7360) en van 11 december 2009 (LJN BK6365) dient een dergelijk verzoek te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het door het Uwv genomen toestemmingsbesluit om eigen risicodrager te worden. Een dergelijk verzoek staat los van de procedure over een toerekenings- of een verhaalsbesluit. Indien in een besluit op bezwaar tegen een toerekenings- of verhaalsbesluit een beslissing wordt genomen op een verzoek om terug te mogen keren naar het publieke bestel, staat daartegen bezwaar open. Hetgeen het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, kan aan het voorgaande niet afdoen.

4.3. Uit overweging 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak – voor zover aangevochten – dient te worden bevestigd.

4.4. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Namens de werkgever is verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van de werkgever. Ter zitting is nader toegelicht dat dit verzoek uitsluitend betrekking heeft op de proceskosten in hoger beroep. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding van de gevorderde kosten van een deskundige die aan de werkgever verslag heeft uitgebracht ziet de Raad geen aanleiding nu ter zitting van de zijde van de werkgever is verklaard dat het hierbij gaat om kosten van een arts-gemachtigde die zijn gemaakt in een andere dan de onderhavige procedure tussen de werkgever en het Uwv.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van de werkgever tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK