Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
10-3781 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak vrij nauwkeurig de door haar als plichtsverzuim aangemerkte feiten heeft vastgesteld en gekwalificeerd. De rechtbank heeft niet apert onjuist overwogen dat bepaalde andere door verzoeker aan betrokkene verweten gedragingen niet als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Weliswaar stelt verzoeker onder verwijzing naar het integriteitsonderzoek dat van verdergaand en ernstiger plichtsverzuim sprake is geweest, maar daartegenover stelt betrokkene niet zonder enige grond, dat zelfs vraagtekens gezet kunnen worden bij het oordeel van de rechtbank over de door haar (wel) als onjuist aangemerkte gedragingen van betrokkene. De voorzieningenrechter volgt verzoeker dan ook niet in zijn opvatting dat buiten twijfel is dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan verdergaand plichtsverzuim. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij daadwerkelijk herstel van haar dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3781 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2010, 09/2885 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 29 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2010. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C.D. van der Linde, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker salarisadministratie, van 1 juli 1998 tot 1 januari 2006 bij de gemeentelijke dienst [naam dienst] en sinds de fusie van die dienst met de Sociale Dienst Amsterdam bij de per 1 januari 2006 opgerichte dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI). Op grond van een integriteitsonderzoek heeft verzoeker vastgesteld dat betrokkene zich met betrekking tot een aan haar moeder - bij wie betrokkene woont - verstrekte bijstandsuitkering niet integer heeft gedragen en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Bij besluit van 27 januari 2009 is betrokkene daarom de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Na bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2009 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank betrokkenes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 27 januari 2009 herroepen. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan (slechts) een deel van de haar verweten gedragingen. De rechtbank is gelet daarop en gelet op het feit dat betrokkene in haar functie op geen enkele wijze betrokken was bij de verstrekking van bijstandsuitkeringen van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij van mening is dat het gegeven onvoorwaardelijk strafontslag op goede gronden is genomen, de aangevallen uitspraak volstrekt onjuist is en dus, naar zijn verwachting zonder meer, voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet hierop acht verzoeker het niet gewenst en niet redelijk dat betrokkene hangende het hoger beroep, al dan niet voorlopig, weer in dienst is, haar werkzaamheden zou kunnen claimen en aanspraak heeft op bezoldiging (met terugwerkende kracht). Mede gelet op de verwijten die betrokkene kunnen worden gemaakt en de, naar het inzicht van verzoeker, zeer aanmerkelijke kans dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, dienen de belangen van betrokkene te wijken voor de belangen van de DWI.

De DWI heeft er daarom alle belang bij dat de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

4. Betrokkene heeft het standpunt van verzoeker gemotiveerd weersproken. Zij is verder van opvatting dat haar niet of nauwelijks plichtsverzuim te verwijten is in verband met de aan haar moeder verstrekte bijstandsuitkering.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningen-rechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak impliceert dat het dienstverband met betrokkene is hersteld, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang gelegen. De voorzieningenrechter zal dus antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle zullen kunnen geschieden. In het kader van het nu gedane verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

5.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak vrij nauwkeurig de door haar als plichtsverzuim aangemerkte feiten heeft vastgesteld en gekwalificeerd. De rechtbank heeft niet apert onjuist overwogen dat bepaalde andere door verzoeker aan betrokkene verweten gedragingen niet als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. Weliswaar stelt verzoeker onder verwijzing naar het integriteitsonderzoek dat van verdergaand en ernstiger plichtsverzuim sprake is geweest, maar daartegenover stelt betrokkene niet zonder enige grond, dat zelfs vraagtekens gezet kunnen worden bij het oordeel van de rechtbank over de door haar (wel) als onjuist aangemerkte gedragingen van betrokkene. De voorzieningenrechter volgt verzoeker dan ook niet in zijn opvatting dat buiten twijfel is dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan verdergaand plichtsverzuim.

5.6. De door verzoeker genoemde uitspraak van de Raad van 3 december 2009, LJN BK7366, laat weliswaar zien dat de Raad (streng) tuchtrechtelijk optreden tegen een medewerker van de DWI die zich schuldig maakt aan ernstige integriteitsschendingen, in rechte houdbaar acht, maar daarbij worden de omstandigheden van het geval niet uit het oog verloren. In verband met duidelijke verschillen met de situatie die aan de orde was in genoemde uitspraak - de raadsvrouw van betrokkene heeft daarop terecht gewezen - gaat de vergelijking met de omstandigheden in het geval van betrokkene naar het oordeel van de voorzieningenrechter mank.

5.7. Daarmee is het niet in zodanige mate waarschijnlijk dat de door verzoeker aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, dat er grond is voor het treffen van een voorziening.

5.8. Gezien dit voorlopig oordeel over de bodemzaak en gelet op de omstandigheid dat betrokkene groot belang heeft bij daadwerkelijk herstel van haar dienstverband, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van belangen aanleiding de gevraagde voorziening af te wijzen.

6. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene begroot op € 437,-, aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

RB