Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
09-3012 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3012 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2009, 08/5086 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.R. van der Zwan, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010.

Appellante is, zoals zij had bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving sinds 6 december 1994 een uitkering op grond van de WAO, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. Bij besluit van 5 juni 2008 heeft het Uwv die uitkering met ingang van 6 augustus 2008 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

1.3. Bij besluit van 30 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen dat besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden de medische standpunten die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen voor onjuist te houden. Ook met de psychische klachten is voldoende rekening gehouden. Appellante moet dan ook in staat worden geacht de haar voorgehouden functies te verrichten inclusief de functie assistent consultatiebureau.

3.1. Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar functionele mogelijkheden correct zijn vastgesteld en dat zij in staat was de geduide functies te vervullen. Zij is niet in staat eenvoudige cursussen of opleidingen te volgen. Gelet op haar verleden is de functie assistent consultatiebureau niet geschikt. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij brieven overgelegd van haar behandelaars, neuroloog A.H.C. Geerlings, reumatoloog J.M.G.W. Wouters en revalidatiearts J.A.H. Hendriks.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 17 maart 2010 op de informatie van de behandelaars gereageerd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in wezen een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden hier anders over te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De door appellante overgelegde brieven van de neuroloog en de reumatoloog zijn reeds aan de rechtbank overgelegd en de bezwaarverzekeringsarts heeft daarop toen gereageerd. In het rapport van 17 maart 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de informatie van de revalidatiearts. De Raad acht deze reactie adequaat en is van oordeel dat die informatie onvoldoende is voor de conclusie dat appellante meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen.

4.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten. Met betrekking tot de functie assistent consultatiebureau overweegt de Raad dat hij zich kan voorstellen dat appellante een dergelijke functie niet ambieert. Er is echter geen medische reden waarom appellante die functie niet zou kunnen vervullen. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 maart 2009. De stelling van appellante dat het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit aan duiding van deze functie in de weg staat slaagt niet aangezien die bepaling daar niet voor is bedoeld. Overigens wijst de Raad er op dat het om voorbeeldfuncties gaat, zodat het appellante vrij staat naar andere functies te solliciteren.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK