Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
07-7180 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het feit dat voor betrokkene op 11 oktober 2005 reeds de maximale uitkeringstermijn van 52 weken ter zake van zijn uitval uit zijn arbeid als medewerker hoveniersbedrijf was verstreken, heeft appellant - naast de weigeringsgrond - ook de in artikel 29, vijfde lid, van de ZW neergelegde grond aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Als vaststaat dat op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW geen aanspraak op ziekengeld bestaat, dan kan aan het vijfde lid geen aanspraak op ziekengeld worden ontleend en kan het daarop gebaseerde beleid uiteraard evenmin tot toekenning leiden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht bij het bestreden besluit de weigering van ziekengeld gehandhaafd. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/244
USZ 2010/300 met annotatie van Mr. G.C. Boot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7180 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2007, 06/2465 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], België (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen 09/2557 ZW en 09/4637 ZW, plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven. Ter afdoening zijn de gedingen vervolgens weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is per 1 augustus 2003 als medewerker hoveniersbedrijf, gedurende (gemiddeld) 37 uur per week, in dienst getreden bij [naam werkgeefster], gevestigd te [vestigingsplaats], en verrichtte grasmaaiwerkzaamheden van maart tot en met oktober/november (afhankelijk van het weer). In de maanden november en december van het jaar bestond het werk met name uit onderhoudswerk aan tuinen zoals schoffelen, spitten, met een kettingzaag hout zagen, takken sjouwen en versnipperen, al lopend met een bladblazer op de rug bladeren verwijderen. Gedurende de zomer werkte betrokkene een uur per dag extra en kon daardoor in de winter, te beginnen in de maand december, tot en met februari vrij nemen. Betrokkene viel op 15 september 2003 met rugklachten uit voor zijn arbeid.

1.2. Tijdens de wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, heeft betrokkene van maart 2004 tot medio september 2004 weer als grasmaaier gewerkt in het kader van zijn re-integratieactiviteiten. Bij besluit van 30 maart 2005 heeft appellant, in aansluiting op de wachttijd die op 12 september 2004 eindigde, aan betrokkene uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Betrokkene is daarbij niet geschikt geacht voor zijn eigen werk, maar wel voor aan hem geduide functies. Per 1 augustus 2005 heeft hij zich beschikbaar gesteld voor aangepast werk bij zijn werkgeefster, te beginnen met maaiwerk op een aangepaste tractor, maar de werkgeefster liet dat niet toe. De kantonrechter te ’s-Hertogenbosch, rechtdoende in kort geding, heeft bij vonnis van 21 november 2005 (nummer 425151) werkgeefster veroordeeld aan betrokkene van 1 augustus 2005 tot 11 oktober 2005 het loon te betalen. De loonvordering vanaf 11 oktober 2005 is daarbij afgewezen, omdat betrokkene vanaf 15 september 2003 doorlopend ongeschikt is geweest voor zijn eigen werk en vanaf 11 oktober 2005 tevens ongeschikt was voor passende werkzaamheden.

2.1. Op 25 oktober 2005 is een aanvraag om uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 11 oktober 2005 ingediend in verband met een knieoperatie van betrokkene.

2.2. Bij besluit van 14 februari 2006 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 11 oktober 2005 geen recht heeft op ziekengeld.

2.3. Bij besluit van 2 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het daartegen ingediende bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard, omdat betrokkene per 11 oktober 2005 geen aanspraak op ziekengeld kan maken gelet op het tweede en voorts het vijfde lid, van artikel 29, van de ZW.

3. De rechtbank heeft het geschil zich zien toespitsen op de vraag of betrokkene aanspraken kan maken op ziekengeld gelet op het bepaalde in artikel 29, tweede lid van de ZW, in het bijzonder het bepaalde onder c en d. Bij de aangevallen uitspraak - met daarin bepalingen over proceskosten en griffierecht - is het door betrokkene ingediende beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een lacune in de wet en dat onder de gegeven omstandigheden betrokkene ter zake van zijn ziekmelding per 11 oktober 2005 gelijk is te stellen met een werknemer als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW. Voor de toepassing van deze bepaling moet naar het oordeel van de rechtbank de dienstbetrekking van betrokkene met de werkgeefster op de datum in geding als geëindigd worden beschouwd.

4.1. In hoger beroep heeft appellant dit oordeel gemotiveerd betwist.

4.2. Betrokkene heeft - samengevat weergegeven - verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

5.2. Evenals appellant gaat de Raad ervan uit dat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld. In dat verband verwijst de Raad naar de memorie van toelichting bij de Wet uitbreiding loonbetalingsverplichting bij ziekte (Kamerstukken II 1995-1996, 24 439, nr. 3, blz. 67 en 68) waarin onder meer het volgende is vermeld: “De betekenis van het eerste lid is dat indien wordt vastgesteld dat bij ziekte recht bestaat op loon, er geen ziekengeld door de bedrijfsvereniging wordt uitgekeerd. Indien bij ziekte geen recht bestaat op loon betekent dit echter niet automatisch dat de betrokkene recht heeft op ZW-uitkering. Het tweede lid geeft namelijk de situaties aan waarin wel wettelijk ziekengeld wordt uitgekeerd.’’ Naar het oordeel van de Raad bestaat er buiten de in het tweede lid genoemde gevallen dan ook geen aanspraak op ziekengeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van betrokkene naar de letter niet valt onder de in artikel 29, tweede lid, van de ZW genoemde gevallen.

5.3. Wat het oordeel van de rechtbank betreft dat de situatie van betrokkene voor de toepassing van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW en in de verhouding tot appellant gelijk gesteld dient te worden met de situatie van een verzekerde waarbij een dienstbetrekking is geëindigd, overweegt de Raad het volgende. Vaststaat dat de dienstbetrekking van betrokkene op de datum in geding, 11 oktober 2005, nog niet was geëindigd, dit is eerst gebeurd op 1 mei 2006. Gelet op het gesloten stelsel van beëindigingwijzen van de arbeidsovereenkomst in het burgerlijk recht, is de Raad van oordeel dat gelijkstelling derhalve niet in overeenstemming met de letter en de bedoeling van genoemd artikelonderdeel geacht kan worden. Mitsdien treft de desbetreffende grond van appellant doel.

5.4. Nu de wetgever, mede blijkens het onder 5.2 opgenomen citaat uit de memorie van toelichting, heeft onderkend dat indien bij ziekte geen loondoorbetaling plaatsvindt dit niet automatisch met zich brengt dat een betrokkene recht heeft op ziekengeld, is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een onvoorziene situatie. Zo er in dit geval al sprake is van een lacune in de wetgeving, dan acht de Raad het niet aan hem maar aan de wetgever om hieraan invulling te geven.

5.5. Hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat betrokkene aan artikel 29, tweede lid, van de ZW geen aanspraak op ziekengeld kon ontlenen.

6.1. Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, komt de Raad tot het volgende oordeel.

6.2. De dienstbetrekking van betrokkene met zijn werkgeefster is blijven bestaan tot na de datum hier in geding en vastgesteld kan worden dat betrokkene gelet op voormeld vonnis van de kantonrechter vanaf 15 september 2003 doorlopend - althans zonder een onderbreking van tenminste vier weken - voor zijn arbeid ongeschikt is gebleven. Gelet op het feit dat voor betrokkene op 11 oktober 2005 reeds de maximale uitkeringstermijn van 52 weken ter zake van zijn uitval uit zijn arbeid als medewerker hoveniersbedrijf was verstreken, heeft appellant - naast de onder 5.5 genoemde weigeringsgrond - ook de in artikel 29, vijfde lid, van de ZW neergelegde grond aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

6.3. Wat betreft de toepassing van artikel 29, vijfde lid, van de ZW overweegt de Raad het volgende. In zijn uitspraak van 28 november 2007, 06/112 ZW (LJN BC0042), heeft de Raad onder meer overwogen dat hij geen grond ziet om aan te nemen dat toepassing van het vijfde lid van artikel 29 ZW pas aan de orde is, nadat is beoordeeld of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Daarmee heeft de Raad beoogd aan te geven dat aan artikel 29, vijfde lid, van de ZW geen recht op toekenning van ziekengeld kan worden ontleend, maar dat hierin wel een zelfstandige weigeringgrond is opgenomen. Als, zoals in het geval van betrokkene, vaststaat dat op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW geen aanspraak op ziekengeld bestaat, dan kan aan het vijfde lid geen aanspraak op ziekengeld worden ontleend en kan het daarop gebaseerde beleid uiteraard evenmin tot toekenning leiden.

6.4. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant terecht bij het bestreden besluit de weigering van ziekengeld gehandhaafd.

6.5. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel met betrekking tot het bestreden besluit te komen dan weergegeven onder 6.4.

7. Uit hetgeen hiervoor onder 5.2 tot en met 6.5 is overwogen volgt dat de Raad - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad zal het beroep ongegrond verklaren

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

RK