Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
09-2240 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Appellant heeft geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2240 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2009, 08/1040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 april 2010 heeft het Uwv een nader besluit op bezwaar van dezelfde datum ingezonden.

Namens appellant is gereageerd op dit besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. E.A.M. Santen, advocaat. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingaande 2 oktober 2007 vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

2.1. Appellant heeft op 14 maart 2008 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv op zijn bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2007.

2.2. Het Uwv heeft bij besluit van 18 maart 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2007 gegrond verklaard en de uitkering van appellant ingaande 2 oktober 2007 vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Tevens heeft het Uwv bij dit besluit besloten de kosten die aan het bezwaar zijn verbonden te vergoeden tot een bedrag van € 322,-.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar mede gericht geacht tegen het besluit van 18 maart 2008. Zij heeft het beroep van appellant tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer heeft bij dat beroep. De rechtbank heeft aanleiding gezien het Uwv de veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 80,50. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist dat het beroep van appellant tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond is.

3.2.1. Bij het hangende het hoger beroep genomen nadere besluit op bezwaar van 9 april 2010 heeft het Uwv het standpunt neergelegd in het besluit van 18 maart 2008 gewijzigd en besloten dat appellant ingaande 2 oktober 2007 onveranderd recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is vermeld dat de uitkering 70% bedraagt.

3.2.2. Het Uwv heeft de Raad bij brief van 21 april 2010, onder verwijzing naar een schrijven van gelijke datum aan appellant, bericht dat de tekst in het besluit van 9 april 2010 waarbij is aangegeven dat het uitkeringspercentage 70% is te beschouwen is als een kennelijke verschrijving. De WAO-uitkering van appellant bedraagt ingaande 1 juli 2007 zowel voor als na 2 oktober 2007 75% van het voor hem geldende dagloon.

3.3. Het gewijzigd standpunt van het Uwv heeft appellant geen aanleiding gegeven zijn hoger beroep in te trekken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij het niet juist acht dat het Uwv de verschrijving in het besluit van 9 april 2010 niet heeft hersteld door een nieuw besluit te nemen. Appellant heeft voorts betoogd dat hij belang heeft behouden bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. De uitspraak moet namelijk worden vernietigd teneinde te voorkomen dat daarop later een beroep wordt gedaan. Appellant heeft de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. Daarbij is gesteld dat er bijzondere omstandigheden zijn die tot afwijking van de forfaitaire tarieven genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) leiden nu de gemachtigde van appellant na ontvangst van het verweerschrift in hoger beroep tot en met mei 2010 nog ruim zeven uur heeft besteed aan de zaak. Appellant heeft zich tot slot afgevraagd of er geen aanleiding is de zaak met een andere wegingsfactor dan ‘gemiddeld’ te waarderen.

3.4. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij van het Uwv een WAO-uitkering heeft ontvangen welke is uitbetaald naar het uitkeringspercentage van 75%.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat er thans geen geschil is tussen partijen waarin de Raad uitspraak zou behoren te doen. Het Uwv heeft appellant immers nadat de aangevallen uitspraak is gedaan bij besluit van 9 april 2010 ingaande 2 oktober 2007 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering naar de door appellant gewenste arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%, welke uitkering wordt uitbetaald naar het uitkeringspercentage van 75%. Dit betekent dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad, zodat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.2.1. Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

4.2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand forfaitair vergoed volgens een puntensysteem, dat als bijlage bij het Bpb gevoegd is. Artikel 2, derde lid, van het Bpb geeft de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van het eerste lid van dat artikel af te wijken. Blijkens de Nota van Toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) gaat het om uitzonderlijke gevallen waarbij strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt. Daarom is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding - overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen. Benadrukt wordt dat het werkelijk om uitzonderingen gaat en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van feitenmateriaal is gejaagd.

4.2.3. De omstandigheden die appellant aanvoert, kan de Raad niet aanmerken als bijzondere omstandigheden gelet op hetgeen de wetgever omtrent het karakter daarvan voor ogen heeft gestaan.

4.2.4. De Raad ziet voorts geen aanleiding de zaak met een andere wegingsfactor dan ‘gemiddeld’ te waarderen.

4.3. De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Bpb begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

RK