Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
09-1225 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundige Teunen zich kan verenigen met de beschouwingen en conclusies uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2009 en gelet daarop thans ook met de vastgestelde belastbaarheid van betrokkene zoals weergegeven in de FML. Betrokkene is per 21 september 2006 geschikt te achten voor de haar voorgehouden functies. Het bestreden besluit wordt in dit opzicht gedragen door een adequate en toereikende grondslag. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht brengt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1225 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2009, 07/19 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.K. Hebly van 3 maart 2009.

De gemachtigde van betrokkene, I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de internist dr. A. Teunen, door de rechtbank als deskundige geraadpleegd, nader gerapporteerd op 14 december 2009.

Bij brief van 15 februari 2010, met als bijlage een rapport van bezwaarverzekeringsarts Hebly van 10 februari 2010, heeft appellant daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. van Nood. Betrokkene is verschenen bij haar gemachtigde Martens.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene, geboren [in] 1972, was werkzaam als productiemedewerkster/inpakster van cd’s. Zij viel uit met psychische klachten, daarnaast was er sprake van extreem overgewicht, moeheid, verminderde kracht in linkerarm

en -been en voorts hartklachten. In aansluiting op de wachttijd heeft zij met ingang van 15 juli 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het desbetreffende besluit van 7 augustus 2003 is tevens bepaald dat deze uitkering, door de inkomsten die betrokkene toen ontving uit arbeid bij haar werkgever waar zij nog voor halve dagen werkte, slechts wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.1. Bij besluit van 21 juli 2006 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 21 september 2006 ingetrokken.

2.2. Het door betrokkene hiertegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 24 november 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft aanleiding gezien betrokkene te laten onderzoeken door de internist Teunen die in zijn rapporten van

6 juni 2008 en 6 oktober 2008 tot de conclusie is gekomen dat het handelingstempo van betrokkene in het dagelijks leven duidelijk beperkt lijkt en dat werken gedurende een beperkte tijd (50% van een dagtaak) wellicht mogelijk is. In dat verband heeft hij aangegeven dat hij zich zou kunnen verenigen met de geduide functies, met uitzondering van de functie chauffeur in het bijzonder vervoer. De rechtbank - onderkennend dat de rapporten van de deskundige een vrij summier karakter hebben - heeft aanleiding gezien om op basis van deze rapporten, mede gelet op de beschikbare informatie van de behandelend huisarts, internist, gezondheidspsycholoog en chirurg, de conclusies van de deskundige met betrekking tot de beperkingen van betrokkene zonder voorbehoud te volgen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Tevens zijn bepalingen opgenomen over de proceskosten en het griffierecht.

4. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en heeft - op basis van de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Hebly van 3 maart 2009 en 10 februari 2010 - het standpunt ingenomen dat de in beroep door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet op een inzichtelijke wijze heeft onderbouwd waarom betrokkene meer beperkt zou zijn dan is aangenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 juni 2006 wat betreft het handelingstempo en het aantal te werken uren. Hoewel de bezwaarverzekeringsarts het eens is met Teunen dat het handelingstempo van betrokkene beperkt is, geeft dit echter geen beperking ten aanzien van item 1.7 uit de FML, maar wel ten aanzien van item 1.9.8. Een beperking op item 1.9.8 is in de FML dan ook aangenomen, echter niet op item 1.7. Uit geen der beschrijvingen vóór of na 2006 komt namelijk naar voren dat betrokkene psychisch vertraagd reageert, vertraagd in actie komt, of dat haar vingers niet vlug bewegen, kortom dat een integrale vertraging in het gestel van haar waarneembaar is als bedoeld bij item 1.9.8. Wat de door Teunen gestelde urenbeperking betreft heeft de bezwaarverzekeringsarts aangevoerd dat de geduide functies zondermeer licht zijn te noemen. Het betreft met name de functies administratief medewerker (beginnend; Sbc-code 315090), produktiemedewerker industrie (samenstellen van producten, Sbc-code 111180) en produktiemedewerker metaal en elektro-industrie (Sbc-code 111171). Appellant heeft in dat verband tevens aangevoerd dat wordt onderkend dat betrokkene in 2006 door haar gewicht energetisch beperkt is bij fysieke handelingen en dat zij eerder moe is dan mensen met een normaal gewicht. Dit is tot uitdrukking gebracht in de beperkingen die zijn opgenomen in de rubrieken 4 en 5 van de FML. De verzekeringsarts Z.T. Canova heeft het fysiek terughoudende functioneren van betrokkene reeds beschreven, maar de dagdelen die in 2003 en 2004 zouden hebben ontbroken voor slaap, zijn in 2006 niet meer aan de orde, reden waarom thans geen urenbeperking is gesteld.

5. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. Op verzoek van de Raad heeft de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Teunen op 14 december 2009 zijn reactie gegeven op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2009. Teunen stelt dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van betrokkene erkent, maar dat de consequenties voor de arbeidsgeschiktheid anders worden ingeschat en herhaalt dat hij zich zou kunnen verenigen met meerdere van de geduide functies. Tevens heeft hij er op gewezen dat de eerder in 2003 door de bedrijfsarts geconstateerde verminderde pompfunctie van het hart niet wordt vermeld door de cardioloog die in 2006 juist constateert dat er sprake is van een gedilateerde cardiomyopathie met een goed functionerend hart. De juistheid van zijn eerder getrokken conclusie dat er sprake is van een hartzwakte in het kader van cardiomyopathie heeft Teunen thans dan ook in twijfel getrokken. Tot slot heeft Teunen nog opgemerkt dat hij wellicht wat te negatief is geweest wat betreft de functionele mogelijkheden van betrokkene.

7.1. De Raad overweegt als volgt.

7.2. In vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd.

7.3. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en constaterend dat de door de rechtbank ingeschakelde internist Teunen geen stellig en concreet onderbouwd antwoord heeft gegeven op de door de rechtbank gestelde vraag welke beperkingen betrokkene had op 21 september 2006, de datum hier in geding, heeft de Raad aanleiding gezien deze internist te benaderen met de vraag zijn reactie te geven op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Uit zijn rapport van 14 december 2009 kan worden afgeleid dat hij kennis heeft genomen van de hier van belang zijnde stukken uit het dossier, waaronder de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen en de informatie van de behandelend artsen. Teunen vindt de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Hebly uitvoerig en genuanceerd. Hij is thans tot de conclusie gekomen dat er bij betrokkene sprake is van beperkingen die door appellant ook in de besluitvorming zijn betrokken. De Raad leidt uit het vorenstaande en hetgeen is vermeld onder 6 af dat Teunen zich kan verenigen met de beschouwingen en conclusies uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2009 en gelet daarop thans ook met de vastgestelde belastbaarheid van betrokkene zoals weergegeven in de FML.

7.4. Hetgeen van de zijde van betrokkene in hoger beroep aan informatie is ingebracht, geeft de Raad geen aanknopingspunt voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Niet valt in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van het geheel aan beschikbare informatie niet tot een afgewogen oordeel over de datum in geding is gekomen. Informatie van de huisarts E. Pleij, de internist P.S. van Dam, de gezondheidspsycholoog S.M. van Es en de chirurg L.T. de Wit, waarnaar is verwezen in de aangevallen uitspraak, geven geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. De verzekeringsarts en de internist Teunen hebben betrokkene persoonlijk onderzocht en bij de beoordeling is ook van belang geacht het dagverhaal van betrokkene zoals met name beschreven in het rapport van verzekeringsarts Canova van 20 juni 2006. Betrokkene heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die betrekking hebben op de datum in geding.

7.5. De Raad acht zich wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft voldoende voorgelicht en merkt in dit verband nog op dat de internist Teunen in zijn rapport van 6 juni 2008 de vraag of er nog een andere deskundige een nader onderzoek zou moeten verrichten ontkennend heeft beantwoord.

7.6. De Raad is gelet op het overwogene bij 7.2 tot en met 7.5 tot het oordeel gekomen dat betrokkene per 21 september 2006 geschikt is te achten voor de haar voorgehouden functies. Het bestreden besluit wordt in dit opzicht gedragen door een adequate en toereikende grondslag. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht brengt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door als Ch. van Voorst voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) Ch. Van Voorst

(get.) A.L. de Gier

RH