Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
09-6561 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. Voldoende medische grondslag. De aan appellante voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6561 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2009, 08/1111 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.N. Foppen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Foppen. Het Uwv is met bericht vooraf niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 24 december 1995 voor haar werk als zelfstandig groentehandelaar uitgevallen wegens huidklachten (ernstig chronisch eczeem en allergie), met name aan de handen. Aan haar is met ingang van 23 december 1996 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (thans: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, hierna: WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellante met ingang van 16 oktober 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 maart 2008 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, de uitkering per 16 oktober 2007 ongewijzigd gehandhaafd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en de uitkering herzien met ingang van 21 april 2008 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen het besluit van 5 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellante beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. In hetgeen appellante tegen die medische grondslag heeft aangevoerd - onder verwijzing naar een door dermatoloog H.B van der Walle op 21 mei 2008 op verzoek van appellante uitgebracht rapport - heeft de rechtbank geen reden gezien voor een ander oordeel. De rechtbank heeft daarbij de door dermatoloog Van der Walle aangegeven punten waarop appellante meer beperkt zou moeten worden geacht in haar overwegingen betrokken, maar zij heeft zich, onder verwijzing naar hetgeen daartegen is ingebracht door bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge in haar rapport van 28 juli 2008, met betrekking tot die punten niet achter de stellingen van appellante geschaard. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan appellante voorgehouden functies van verkoper groothandel (SBC-code 317012), commercieel-administratief medewerker (SBC-code 516110) en parkeercontroleur (SBC-code 342022) in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Zij heeft vervolgens geconcludeerd dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist is.

4. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de ernst van haar lichamelijke klachten en beperkingen zijn onderschat in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Er is bij haar sprake van een chronisch handeczeem, die de functionele inzetbaarheid van haar handen sterk beperkt. Voor de precieze omschrijving van haar klachten en de gevolgen van die klachten in het dagelijks leven verwijst appellante naar het door haar in de procedure bij de rechtbank ingebrachte rapport van dermatoloog Van der Walle. De ten aanzien van haar opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 11 december 2007 dient, zo heeft appellante gesteld, meer en verdergaande beperkingen te kennen dan thans het geval is. De aan haar voorgehouden functies zijn, gelet op haar beperkingen, niet voor haar geschikt. Tot slot heeft appellante de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

5. Het Uwv heeft in het verweerschrift gesteld dat appellante in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die hem tot een ander standpunt brengen dan het standpunt, neergelegd in het bestreden besluit.

6.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

6.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen door appellante naar voren is gebracht onvoldoende steun biedt voor de stelling van appellante dat bij het bestreden besluit haar beperkingen tot het verrichten van arbeid onjuist zijn vastgesteld. Ook de Raad ziet in het rapport van dermatoloog Van der Walle onvoldoende grond om tot een andersluidend oordeel te komen. Hij wijst er daartoe op dat het verschil in de opvattingen van appellante en het Uwv geen betrekking heeft op de aard van de klachten, maar op de ernst ervan, in het bijzonder wat betreft de uit die klachten voortvloeiende beperkingen tot het verrichten van arbeid. Van der Walle heeft in zijn rapport aspecten uit de ten aanzien van appellante opgestelde FML genoemd, waarop appellante meer of verdergaand beperkt zou zijn te achten. Met de rechtbank ziet de Raad in het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge op hetgeen Van der Walle terzake heeft gesteld genoegzaam steun voor het oordeel dat de beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid in het bestreden besluit niet zijn onderschat. De Raad stelt zich daarbij achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Wat de beroepsgrond van appellante betreft, dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen, acht de Raad door bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge aannemelijk gemaakt dat bij de reeds gestelde beperkingen, waaronder de beperkingen ten aanzien van het hand- en vingergebruik, geen noodzaak aanwezig is voor het daarnaast nog stellen van een urenbeperking.

Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellante tot het benoemen van een deskundige in te willigen.

6.3. Uitgaande van de juistheid van de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid, neergelegd in de ten aanzien van haar opgestelde FML van 11 december 2007, ziet de Raad de door appellante aangevoerde gronden tegen het oordeel van de rechtbank dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht geschikt zijn niet slagen. De Raad verwijst daarvoor naar de rapporten van bezwaararbeidsdeskundigen M.N.J. Kollaard van 18 februari 2008 en B. Evegaars van 5 augustus 2008.

6.4. Uit hetgeen onder 6.2 en 6.3 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep van appellante naar het oordeel van de Raad geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR