Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
08-7244 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld toe te kennen. Bezwaarverzekeringsarts Heijltjes heeft in een nader rapport van 16 maart 2010 gelet op de kenmerkende belasting in de functie van mobiele surveillant beveiliging geconcludeerd dat de knieklachten van appellant geen belemmering zijn om die functie uit te oefenen en dat, nu de functie fysiek licht van aard was, appellant hiervoor geschikt moet worden geacht. De Raad ziet, gelet op de rapporten van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts, geen reden om aan die conclusie te twijfelen en merkt daarbij op dat appellants stelling dat hij niet kan autorijden niet met medische gegevens is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7244 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 december 2008, 08/968 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010.

Appellant is met kennisgeving niet verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Lagerwij.

II. OVERWEGINGEN.

1. Appellant ontving sinds 12 februari 2001 in verband met beperkingen als gevolg van onder meer knieklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering per 16 december 2001 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na een herbeoordeling in 2007 is de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant, die na een hem op 26 juli 2006 overkomen verkeersongeval klachten had passend bij een whiplash, per 22 februari 2007 ongewijzigd gehandhaafd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.1. Appellant was van 9 december 2006 tot en met 31 oktober 2007 werkzaam als mobiel surveillant beveiliging. Hij heeft zich op 1 november 2007 voor dit werk ziek gemeld.

2.2. Appellant is op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die blijkens een rapport van 1 februari 2008 bij onderzoek vaststelde dat de suikerziekte van appellant ingesteld was met medicatie, dat er geen aanwijzingen waren voor cognitieve stoornissen en dat ook de nekklachten vergeleken met een medisch onderzoek dat in augustus 2007 in het kader van de WAO-beoordeling plaatsvond, niet gewijzigd waren. Appellant werd met ingang van 4 februari 2008 geschikt geacht voor de in het verleden geduide functies en voor het laatstelijk verrichte werk.

3.1. Bij besluit van 1 februari 2008 is aan appellant met ingang van 4 februari 2008 geen ziekengelduitkering meer toegekend.

3.2. Naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2008 is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes, die blijkens een rapport van 12 juni 2008 evenals de primaire verzekeringsarts geen evidente beperkingen in de functie van de nek aantrof en evenmin cognitieve beperkingen. Hij concludeerde dat voldoende met appellants beperkingen rekening was gehouden en dat er geen objectieve medische gegevens naar voren waren gekomen om het advies van de primaire verzekeringsarts niet te volgen.

3.3. Bij besluit van13 juni 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven en daarbij in aanmerking genomen dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die aanknopingspunten bieden voor een ander oordeel.

5.1. De Raad stelt vast dat het laatstelijk voor de onderhavige ziekmelding door appellant verrichte werk als mobiele surveillant beveiliging als zijn arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet moet worden aangemerkt. Uit het op verzoek van de Raad door het Uwv op 4 maart 2010 uitgebrachte arbeidskundige rapport blijkt dat appellant bij dit werk veelvuldig - in eigen tempo - moest lopen, dat zitten afwisselend voorkwam, dat staan af en toe voorkwam doch kon worden afgewisseld met zitten en lopen en dat, afhankelijk van de locatie, incidenteel sprake was van trappen lopen, terwijl ook knielen of gehurkt actief zijn, slechts incidenteel voorkwam.

5.2. Bezwaarverzekeringsarts Heijltjes heeft in een nader rapport van 16 maart 2010 gelet op de kenmerkende belasting in voormelde functie geconcludeerd dat de knieklachten van appellant geen belemmering zijn om die functie uit te oefenen en dat, nu de functie fysiek licht van aard was, appellant hiervoor geschikt moet worden geacht. De Raad ziet, gelet op de hiervoor onder 2.2 en 3.2 vermelde rapporten van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts, geen reden om aan die conclusie te twijfelen en merkt daarbij op dat appellants stelling dat hij niet kan autorijden niet met medische gegevens is onderbouwd. De door appellant in hoger beroep ingebrachte medische rapporten en verklaringen vormen geen reden voor een ander oordeel. De Raad verwijst in dit verband naar de reacties van voornoemde bezwaarverzekeringsarts, die erop heeft gewezen dat de ingebrachte stukken enerzijds geen nieuwe objectieve medische gegevens bevatten en anderzijds geen betrekking hebben op de hier in geding zijnde datum.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

RK