Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
09-2029 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden doorslaggevende betekenis heeft gehecht aan het rapport van Lambrechts. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het rapport van Lambrechts consistent is en dat deze deskundige voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij van mening is dat er per 17 oktober 2006 bij appellante geen sprake is geweest van beperkingen als gevolg van ziekte of gebreken. De schatting berust op geschiktheid voor de functie van parkeercontroleur met sbc-code 342022, de functie van productiemedewerker industrie met sbc-code 111180 en de functie van archiefmedewerker met sbc-code 315130. De Raad heeft in de voorhanden zijnde gegevens geen aanwijzingen gevonden, dat appellante niet in staat zou zijn deze functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2029 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 april 2009, 07/297 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat in Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 16 juni 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is werkzaam geweest als werkvoorbereider bij PTT Telecom voor 32 uur per week. Op 28 mei 1990 is zij uitgevallen vanwege nekklachten met uitstraling naar de linker arm, alsmede klachten van moeheid, hoofdpijn en concentratieverlies. Na het volbrengen van de wettelijke wachtperiode is haar met ingang van 14 mei 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Op 7 juli 2006 heeft verzekeringsarts A.J.D. Versteeg een medisch onderzoek verricht en de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft arbeidsdeskundige G.C. Mauer een viertal functies geselecteerd, tot het verrichten waarvan appellante in staat is geacht. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 17 oktober 2006 ingetrokken.

2. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat en dat een urenbeperking aan de orde zou zijn. Nadat bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier kennis heeft genomen van brieven van reumatoloog

D. van Schaardenburg van 11 januari 2007 en 3 juli 2006, heeft de bezwaarverzekeringsarts op 22 januari 2007 de beoordeling van de primaire verzekeringsarts bevestigd. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige

F.M.A. Havermans de geschiktheid voor de geselecteerde functies beoordeeld en één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen, waarna het bezwaar bij besluit van 25 januari 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

3. In beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar standpunt een rapport van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts W.M. van der Boog van 21 februari 2007 in geding gebracht. Het Uwv heeft hierop middels een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 14 maart 2007 gereageerd. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige neuropsycholoog M.S.P. Vermeulen heeft zich blijkens zijn rapport niet met de door het Uwv vastgestelde beperkingen kunnen verenigen. Hij heeft de beperkingen op de FML aangescherpt en geoordeeld dat een urenbeperking aan de orde is. Het Uwv heeft de conclusies van de neuropsycholoog bij rapport van 11 februari 2008 gemotiveerd bestreden. Nadien is nogmaals van verschillende kanten gereageerd. Op 10 september 2008 heeft neuroloog G.J. Lambrechts op verzoek van de rechtbank gerapporteerd. Deze deskundige is tot de conclusie gekomen dat er geen beperkingen tot het verrichten van arbeid kunnen worden geobjectiveerd. Appellante en de door haar ingeschakelde verzekeringsarts Van der Boog hebben op het deskundigenrapport gereageerd, hetgeen voor Lambrechts geen aanleiding is geweest zijn oordeel te wijzigen.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis gehecht aan het rapport van neuroloog Lambrechts en is daarmee voorbijgegaan aan de conclusie van neuropsycholoog Vermeulen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een neuroloog bevoegd is diagnoses te stellen met betrekking tot neurologische stoornissen, terwijl een neuropsycholoog zich met name bezighoudt met de cognitieve, emotionele en psychosociale gevolgen van neurologische stoornissen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusie van neuroloog Lambrechts niet te volgen.

5. In hoger beroep zijn de eerdere gronden van bezwaar en beroep herhaald en heeft de gemachtigde van appellante een rapport van verzekeringsarts Van der Boog van 14 mei 2009 in geding gebracht. Op verzoek van de Raad heeft Lambrechts op 24 februari 2010 op het in hoger beroep bijgevoegde rapport gereageerd waarbij hij zijn conclusie onverkort gehandhaafd heeft. Appellante heeft nog een reactie van verzekeringsarts Van der Boog van 8 maart 2010 ingezonden.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De Raad stelt vast dat in het dossier veel informatie over de gezondheidstoestand van appellante aanwezig is. Naast diverse rapporten van de behandelende artsen is aan de rechtbank door twee deskundigen gerapporteerd om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de medische situatie van appellante. Neuropsycholoog Vermeulen heeft een onderzoek ingesteld en aangegeven de beperkingen, zoals door het Uwv vastgesteld, niet te kunnen onderschrijven. Aangezien partijen van mening bleven verschillen omtrent de beperkingen van appellante heeft de rechtbank neuroloog Lambrechts ingeschakeld, die de beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts heeft bevestigd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden doorslaggevende betekenis heeft gehecht aan het rapport van Lambrechts. De Raad stelt vast dat deze deskundige tot zijn conclusie is gekomen na kennisname van de uitgebreide medische voorgeschiedenis van appellante. Tevens heeft deze deskundige een aantal artsen verzocht om informatie. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het rapport van Lambrechts consistent is en dat deze deskundige voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij van mening is dat er per 17 oktober 2006 bij appellante geen sprake is geweest van beperkingen als gevolg van ziekte of gebreken. De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen aanleiding de conclusie van Lambrechts niet te volgen. Evenmin heeft de Raad anderszins aanknopingspunten gevonden de beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden.

6.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad, dat de schatting berust op geschiktheid voor de functie van parkeercontroleur met sbc-code 342022, de functie van productiemedewerker industrie met sbc-code 111180 en de functie van archiefmedewerker met sbc-code 315130. De Raad heeft in de voorhanden zijnde gegevens geen aanwijzingen gevonden, dat appellante niet in staat zou zijn deze functies te verrichten.

6.4. Uit het onder punt 6.2 en 6.3 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

RK