Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
09-4743 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad overweegt dat appellant in hoger beroep geen medische onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat hij meer beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangegeven. De Raad is verder van oordeel dat appellant met zijn beperkingen in staat geacht moet worden de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. De Raad hecht daarbij met name belang aan de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 juli 2009 waarin deze nogmaals ingaat op de door appellant opgeworpen bezwaren tegen de geduide functies. Naar het oordeel van de Raad is daarmee op afdoende wijze aangegeven waarom de gehoorproblematiek geen probleem vormt in de functies van kassamedewerker en voedingsassistent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4743 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 juli 2009, 09/1502 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2010. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 2.1 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 20 maart 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 14 mei 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4. Bij besluit van 19 december 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit - naar aanleiding van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en hernieuwde raadpleging van het CBBS door de bezwaararbeidsdeskundige - gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 mei 2008 vastgesteld op 55 tot 65%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was daarbij van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het berust op de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, op goede gronden genomen was.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts op een aantal punten onvoldoende zijn onderbouwd. Hij acht zich in verband met zijn nekhernia met name meer beperkt ten aanzien van de belasting van nek, schouders en arm en het hoofd in een bepaalde stand houden. Zijn enkelklachten leiden ook tot meer beperkingen voor staan en lopen dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangegeven. Appellant acht zich voorts niet in staat de werkzaamheden behorende bij de voor hem geduide functies van kassamedewerker, uitleenmedewerker en voedingsassistent te verrichten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de medische onderbouwing van het bestreden besluit vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. De Raad ziet daarin geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan en onderschrijft de ter zake in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant in hoger beroep geen medische onderbouwing heeft gegeven voor zijn stelling dat hij meer beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangegeven.

4.3. De Raad is verder van oordeel dat appellant met zijn beperkingen in staat geacht moet worden de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. De Raad hecht daarbij met name belang aan de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 juli 2009 waarin deze nogmaals ingaat op de door appellant opgeworpen bezwaren tegen de geduide functies. Naar het oordeel van de Raad is daarmee op afdoende wijze aangegeven waarom de gehoorproblematiek geen probleem vormt in de functies van kassamedewerker en voedingsassistent. Er worden in deze functies geen bijzondere eisen gesteld ten aanzien van het gehoor. Daarbij heeft appellant de Raad niet ervan kunnen overtuigen waarom het treffen van een gehoorvoorziening in voorkomend geval niet tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige dat het aanhoren van een mopperende klant in de functie van kassamedewerker eveneens geen onoverkomelijk probleem is nu appellant niet beperkt is op het item hanteren van conflicten. Bovendien kan bij problemen doorverwezen worden naar een leidinggevende. Met betrekking tot de functie van uitleenmedewerker heeft de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat stof in lichte mate kan voorkomen maar dat een adequate afzuiging altijd aanwezig is. Appellant heeft geen afdoende onderbouwing gegeven waarom deze functie niettemin voor hem ongeschikt zou zijn. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen appellant met betrekking tot de geduide functies heeft aangevoerd geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige omtrent de geschiktheid van deze functies voor appellant.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

RK