Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
09-1078 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen op het besluit tot intrekking WAO-uitkering.De Raad heeft inmiddels meerdere keren overwogen dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft in zijn rapporten van 5 maart 2010 en 10 mei 2010 het standpunt van het Uwv nader toegelicht. Van Duijn heeft aangegeven dat onduidelijk is op basis van welke klachten de sociaal-psychiatrisch verpleegkundigde Van Marrewijk van GGZ Delfland tot haar visie is gekomen en waarom de klachten van appellante niet eerder zouden zijn erkend. Daarnaast geeft Van Duijn aan dat de visie van appellante, dat het stellen van een diagnose bepaalt welke beperkingen van toepassing zijn, onjuist is. De Raad onderschrijft deze visie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1078 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2009, 08/1201 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. G.M.S. Koot, advocaat te 's-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het Uwv heeft de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 juli 2006 en van 28 november 2007 overgelegd. Daarnaast heeft het Uwv rapportages van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 5 maart 2010 en 10 mei 2010 ingebracht. Appellante heeft hierop bij brief van 16 april 2010 gereageerd.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 8 oktober 2006 ingetrokken. Dit besluit staat is rechte vast.

1.2. Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 8 augustus 2006.

1.3. Bij besluit van 30 november 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen. Bij besluit van 7 februari 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in de door appellante overgelegde informatie van GGZ Delfland kennelijk voor het eerst diagnoses zijn gesteld, niet kan worden gezegd dat sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante al jaren bekend was met dezelfde psychische problematiek. Dat nu pas diagnoses zijn gesteld, betekent niet dat de beperkingen van appellante voorheen niet juist zijn onderkend, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt, dat in de door haar overgelegde informatie van GGZ Delfland sprake is van een diagnose die niet eerder werd gesteld en die niet dan wel onvoldoende door het Uwv is weersproken, herhaald. Appellante stelt dat blijkens deze informatie sprake is van voorschrijdend inzicht, op basis waarvan het besluit van 8 augustus 2006 dient te worden herzien.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv de zaak, blijkens de rapporten van de verzekeringsarts T. Elbertsen van 9 oktober 2007 en 16 november 2007, in haar geheel opnieuw heeft beoordeeld, maar dat dit niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.3. De Raad heeft inmiddels meerdere keren overwogen dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft in zijn rapporten van 5 maart 2010 en

10 mei 2010 het standpunt van het Uwv nader toegelicht. Van Duijn heeft aangegeven dat onduidelijk is op basis van welke klachten de sociaal-psychiatrisch verpleegkundigde Van Marrewijk van GGZ Delfland tot haar visie is gekomen en waarom de klachten van appellante niet eerder zouden zijn erkend. Daarnaast geeft Van Duijn aan dat de visie van appellante, dat het stellen van een diagnose bepaalt welke beperkingen van toepassing zijn, onjuist is. De Raad onderschrijft deze visie.

4.5. De Raad is dan ook van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Ter voorlichting van appellante en buiten de omvang van dit geding om wijst de Raad op het volgende. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft Van Duijn in zijn rapportage van 5 maart 2010 het volgende opgemerkt:

“Gezien het gelijk blijven van de belastbaarheid is AMBER niet van toepassing te achten per oktober 2007”

In reactie hierop heeft de gemachtigde van appellante in haar brief van 16 april 2010 het volgende aangegeven:

“Naar het oordeel van appellante heeft geen Amberbeoordeling plaatsgevonden. Appellante acht het niet juist dat nu, in hoogste instantie, een Amberoordeel geveld zou worden waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan.”

Vervolgens heeft het Uwv een aangepaste rapportage van Van Duijn van 10 mei 2010 in het geding gebracht. Los van de inhoud van deze rapportage wijst de Raad appellante er op dat het Uwv met de rapportage van Van Duijn van 5 maart 2010 geen besluit heeft genomen ten aanzien van de toepassing van artikel 43a van de WAO, de zogeheten wet Amber, per oktober 2007.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

IvR