Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
08-955 WWB + 08-956 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het feit dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep voor het gesprek op 7 mei 2007 kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Evenmin is sprake van ‘het niet herstellen van een verzuim’ als bedoeld in artikel 54, vierde lid, van de WWB toen appellant niet kwam opdagen voor het gesprek op 14 mei 2007 waarvoor hij bij de brief van 7 mei 2007 was opgeroepen. De Raad volgt het College evenmin in zijn standpunt dat het recht op bijstand van appellanten niet langer kon worden vastgesteld doordat appellant geen gehoor gaf aan de oproepen voor de gesprekken op 7 mei 2007 en 14 mei 2007. Het niet verschijnen van appellant had immers enkel tot gevolg dat het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling op die data geen doorgang kon vinden. Naar het oordeel van de Raad dient de gedraging van appellant te worden gekwalificeerd als een gedraging als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b, van de Verordening. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant ten tijde hier van belang geen werk verrichtte als bedoeld in artikel 4 onder c, d of e, van de Verordening. Evenmin is gebleken dat hij behoorde tot de in de toelichting op de Verordening genoemde doelgroepen van sociale activering (mensen met sociaal maatschappelijke of psychische problemen). Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat ten aanzien van appellant nog geen traject gericht op arbeidsinschakeling liep en dat het de bedoeling was hem te activeren. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/214
JWWB 2010/196 met annotatie van KH
USZ 2010/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/955 WWB

08/956 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], en [appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 december 2007, 07/3282 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Rijen, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. E. Aerts, advocaat te Rijen, zich als gemachtigde van appellanten gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. Voor appellanten is verschenen mr. Aerts. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. van der Heijden, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Na toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 27 april 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat Sociale Zaken een onderzoek doet naar diens mogelijkheden op de arbeidsmarkt en hem uitgenodigd voor een gesprek met de klantmanager op 7 mei 2007. Appellant is toen niet verschenen.

1.3. Bij brief van 7 mei 2007 heeft het College appellant opnieuw meegedeeld dat Sociale Zaken een onderzoek doet naar diens mogelijkheden op de arbeidsmarkt en dat is besloten dat het recht op bijstand met ingang van 7 mei 2007 wordt opgeschort op de grond dat appellant op 7 mei 2007 zonder reden niet op het gesprek is verschenen. Daarbij is appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek met de casemanager op 14 mei 2007. Verder is appellant meegedeeld dat de bijstand kan worden beëindigd indien hij aan de uitnodiging geen gevolg geeft. Appellant is ook op 14 mei 2007 niet verschenen.

1.4. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 7 mei 2007 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.5. Bij besluit van 21 juni 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 16 mei 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant, door geen gehoor te geven aan de bij de brieven van 27 april 2007 en van 7 mei 2007 gedane oproepen voor een gesprek, de ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB op hem rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat daarmee aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in samenhang met het eerste en tweede lid van dat artikel is voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 21 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben primair aangevoerd dat appellant de brieven van 27 april 2007 en 7 mei 2007 niet heeft ontvangen. In dat kader hebben zij gesteld dat die brieven niet zijn verzonden of wellicht in het ongerede zijn geraakt door toedoen van hun kinderen. Subsidiair hebben appellanten aangevoerd dat appellant tweemaal is opgeroepen voor een gesprek over zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Dat appellant aan deze oproepen geen gehoor heeft gegeven betekent niet dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in samenhang met het eerste en tweede lid van dat artikel is voldaan, maar dat toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB in samenhang met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB aan de orde is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De primair door appellanten opgeworpen grond dat appellant de brieven van 27 april 2007 en 7 mei 2007 niet heeft ontvangen, slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad dat uit de gedingstukken blijkt dat deze brieven per aangetekende post zijn verzonden naar het bij het College bekende adres van appellanten en dat deze brieven aan het College retour zijn gezonden met de mededeling ‘niet afgehaald’. Dat betekent dat aannemelijk is dat de brieven zijn verzonden en dat de zending is aangeboden aan het juiste adres. Dat het afhaalbericht van TPGPost wellicht door toedoen van de kinderen van appellanten in het ongerede is geraakt, is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellanten dient te komen. Zij zijn immers zelf verantwoordelijk voor een adequate afhandeling van de voor hen bestemde post.

4.2. Met betrekking tot de subsidiair door appellanten aangevoerde grond voor het hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

4.2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.2 Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.2.3. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.4. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.5. In zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ8403, heeft de Raad - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van dat artikel - uiteengezet dat in artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB een algemene inlichtingenverplichting en een medewerkingsverplichting zijn neergelegd, welke verplichtingen in elkaars verlengde liggen en in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Tevens is overwogen dat het tegen de achtergrond daarvan niet in de rede ligt aan de in artikel 54, eerste lid, van de WWB opgenomen zinsnede ”anderszins (…) medewerking verleent” een ruimere strekking toe te kennen dan aan de in artikel 17, tweede lid, van de WWB bedoelde verplichting.

4.2.6. In zijn uitspraak van 14 augustus 2008, LJN BE2717, heeft de Raad daaraan toegevoegd dat artikel 54, eerste lid, van de WWB toepassing mist in gevallen waarin de gegevensverstrekking en verlangde medewerking niet zien op een (totale) herbeoordeling van het recht op bijstand, maar plaatsvinden in het kader van - kort gezegd - de arbeidsinschakelings- of re-integratieplicht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Bij verwijtbare niet-nakoming van deze van rechtswege geldende verplichtingen is het bevoegde bestuursorgaan ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand te verlagen.

4.2.7. In lijn met hetgeen in de onder 4.2.6 genoemde uitspraak is overwogen, en anders dan uit zijn uitspraak van 5 januari 2010, LJN BL0358 kan worden afgeleid, is de Raad van oordeel dat van ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB slechts dan sprake is indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand en niet indien hij onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in artikel 9, eerste lid, van de WWB een specifieke regeling is opgenomen van de verplichtingen van de belanghebbende gericht op zijn arbeidsinschakeling en dat het bestuursorgaan op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden is de bijstand te verlagen in overeenstemming met de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WWB indien de belanghebbende die verplichtingen niet of onvoldoende nakomt behoudens in geval elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.8. In de brieven van 27 april 2007 en van 7 mei 2007 is vermeld dat Sociale Zaken een onderzoek doet naar de mogelijkheden van appellant op de arbeidsmarkt. In die brieven is geen ander doel van het gesprek met de casemanager aangegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College desgevraagd verklaard dat ten aanzien van appellant nog geen traject gericht op arbeidsinschakeling liep en dat het de bedoeling was hem te activeren. Gelet daarop stelt de Raad vast dat appellant is opgeroepen uitsluitend in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden van appellant tot arbeidsinschakeling en niet (tevens) in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand. Aan deze oproepen heeft appellant geen gehoor gegeven.

4.2.9. Uitgaande van hetgeen onder 4.2.7 en 4.2.8 is overwogen kan het feit dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de bij de brief van 27 april 2007 gedane oproep voor het gesprek op 7 mei 2007 naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Evenmin is sprake van ‘het niet herstellen van een verzuim’ als bedoeld in artikel 54, vierde lid, van de WWB toen appellant niet kwam opdagen voor het gesprek op 14 mei 2007 waarvoor hij bij de brief van 7 mei 2007 was opgeroepen.

4.2.10. Het beroep dat het College heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 29 juni 2004, LJN AP4590, leidt de Raad in het licht van de onder 4.2.5 tot en met 4.2.7 beschreven ontwikkelingen in zijn rechtspraak niet tot een ander oordeel, nog daargelaten dat de betreffende uitspraak betrekking heeft op de uitleg van artikel 69, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en niet van artikel 54, eerste lid, van de WWB.

4.2.11. De Raad volgt het College evenmin in zijn standpunt dat het recht op bijstand van appellanten niet langer kon worden vastgesteld doordat appellant geen gehoor gaf aan de oproepen voor de gesprekken op 7 mei 2007 en 14 mei 2007. Het niet verschijnen van appellant had immers enkel tot gevolg dat het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling op die data geen doorgang kon vinden.

4.2.12. De Raad komt met appellanten tot de conclusie dat het College ten onrechte de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB heeft ingetrokken met ingang van 7 mei 2007. Dat betekent dat het besluit van 21 juni 2007 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 21 juni 2007 wegens strijd met de wet vernietigen. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

4.3. Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad als volgt.

4.3.1. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de Raad aan dat ten tijde hier van belang op appellant ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB de verplichting rustte om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Door op 14 mei 2007 niet te verschijnen op het gesprek waarvoor hij bij de brief van 7 mei 2007 was opgeroepen, is appellant die verplichting niet nakomen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het voorgaande betekent dat het College ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellanten te verlagen overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. In dit geval is dit de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Tilburg (hierna: Verordening).

4.3.2. Artikel 3 van de Verordening bepaalt dat de gedragingen met betrekking tot het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van werk worden onderscheiden in de volgende rechtmatigheidsgedragingen:

a. (…);

b. (…);

c. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening, danwel de voortzetting van de bijstand

4.3.3. Artikel 4 van de Verordening bepaalt dat de gedragingen met betrekking tot het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van werk worden onderscheiden in de volgende doelmatigheidsgedragingen, in directe relatie aan de volgende vijf treden van de werkgelegenheidsladder:

a. Sociale activering naar werk;

b. Activering naar werk;

c. Tijdelijk gesubsidieerd werk;

d. Langdurig gesubsidieerd werk;

e. Regulier werk.

4.3.4. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening leidt een gedraging als bedoeld in artikel 3 ertoe dat de bijstand gedurende een maand met minimaal 5 en maximaal 20 procent wordt verlaagd. Op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening leidt een gedraging als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b, ertoe dat de bijstand gedurende een maand met minimaal 20 en maximaal 40 procent wordt verlaagd.

4.3.5. Appellanten hebben betoogd dat de gedraging van appellant dient te worden gekwalificeerd als een gedraging als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c, van de Verordening. De Raad verwerpt dat standpunt, aangezien geen sprake is van het niet binnen de termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening of voortzetting van de bijstand. Appellant is immers opgeroepen uitsluitend in het kader van een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Met het gesprek waarvoor appellant werd opgeroepen werd niet beoogd dat hij informatie zou verstrekken die voor de beoordeling van het recht op bijstand van belang kan worden geacht. De Raad verwijst verder naar 4.2.8.

4.3.6. Naar het oordeel van de Raad dient de gedraging van appellant te worden gekwalificeerd als een gedraging als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b, van de Verordening. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant ten tijde hier van belang geen werk verrichtte als bedoeld in artikel 4 onder c, d of e, van de Verordening. Evenmin is gebleken dat hij behoorde tot de in de toelichting op de Verordening genoemde doelgroepen van sociale activering (mensen met sociaal maatschappelijke of psychische problemen). Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat, zoals reeds onder 4.2.8 is overwogen, de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat ten aanzien van appellant nog geen traject gericht op arbeidsinschakeling liep en dat het de bedoeling was hem te activeren.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 juni 2007;

Draagt het College op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 16 mei 2007 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten: in beroep tot een bedrag van € 644,-- , te betalen aan appellanten en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) P.E. Broekman.

JvS