Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
08-4195 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WWIK op grond van niet voldoen aan de inkomenseis/progressie-eis. Inkomsten uit een basisstipendium. Werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen kunstenaars 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4195 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 juni 2008, 07/1115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kruidhof en W. de Jong, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1993 afgestudeerd aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en is sedert 1994 beroepsmatig actief als fotograaf. Hij heeft gedurende de perioden van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 en van 1 november 2001 tot en met 31 mei 2002 een uitkering ontvangen op grond van de - tot 1 januari 2005 van kracht zijnde - Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). De Stichting Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst (hierna: Stichting) heeft appellant met ingang van 1 januari 2004 voor een periode van minimaal twee subsidiejaren een basisstipendium tot een totaalbedrag van € 34.500,-- toegekend, waarvan een bedrag van € 24.000,-- een bijdrage vormt in de kosten van levensonderhoud en een bedrag van € 10.500,-- een tegemoetkoming in de beroepskosten.

1.2. Het College heeft appellant met ingang van 1 maart 2006 een uitkering toegekend op grond van de - met ingang van 1 januari 2005 in werking getreden - Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK).

1.3. De WWIK-uitkering is bij besluit van 9 februari 2007 met ingang van 1 november 2006 beëindigd (lees: ingetrokken). Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWIK neergelegde inkomenseis, de zogenoemde progressie-eis, tweede trede, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de twaalf maanden voorafgaand aan 1 augustus 2006 met werkzaamheden ten minste een bedrag van € 4.400,-- heeft verworven.

1.4. Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2007 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met het maken van bezwaar afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWIK wordt het recht op uitkering beëindigd indien de kunstenaar niet kan aantonen met werkzaamheden volgens bij algemene maatregel van bestuur nader te bepalen voorwaarden in ieder geval over de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan respectievelijk de dertiende uitkeringsmaand € 2.800,--, de vijfentwintigste uitkeringsmaand € 4.400,-- en de zevenendertigste uitkeringsmaand € 6.000,-- te hebben verworven.

4.2. Appellant heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 juni 2008, LJN BD3965, betoogd dat de regelgever op onjuiste wijze invulling heeft gegeven aan de opdracht voorwaarden te stellen als in 4.1 bedoeld. In de door appellant aangehaalde uitspraak is geoordeeld dat de regelgever verzuimd heeft nadere regels te stellen als opgedragen in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWIK. De Raad stelt echter vast dat de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWIK bedoelde algemene maatregel van bestuur is vastgesteld bij besluit van 23 december 2004

(Stb. 719), houdende regels ter uitvoering van de WWIK (hierna: Uitvoeringsbesluit) en dat daarin voorwaarden zijn gesteld als in dit artikelonderdeel bedoeld. De beroepsgrond faalt derhalve.

4.3. Appellant stelt zich op basis van het overgangsrecht van de Wik naar de WWIK op het standpunt dat voor hem niet de tweede trede van de progressie-eis van € 4.400,-- aan inkomsten uit de voorafgaande twaalf maanden geldt, maar de eerste trede, tot een bedrag van € 2.800,--. Daarover overweegt de Raad als volgt.

4.3.1. Op grond van artikel 27, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit vindt de beoordeling van het recht op uitkering voor de kunstenaar, aan wie een WWIK-uitkering is toegekend en die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WWIK uitkering op grond van de Wik is verleend, in het daaropvolgende jaar plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWIK, zijnde niet meer dan het in dit artikel genoemd bedrag van € 2.800,00.

4.3.2. Ter zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van het College betoogd dat de in artikel 27, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit genoemde progressie-eis niet van toepassing is op appellant aangezien hij niet onmiddellijk voorafgaand aan de WWIK-uitkering een Wik-uitkering heeft ontvangen. De Raad kan het College hierin niet volgen aangezien noch de wettekst noch de toelichting daarop een aanknopingspunt biedt

voor de door het College voorgestane uitleg van het begrip ‘voorafgaand’.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 vloeit voort dat vervolgens de door de Raad te beantwoorden vraag voorligt of appellant in de hier te beoordelen periode van 1 augustus 2005 tot 1 augustus 2006 met werkzaamheden een inkomen heeft verworven ter hoogte van de progressie-eis, eerste trede, zijnde een bedrag van in ieder geval

€ 2.800,--.

4.5. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant ten tijde in geding een bedrag van € 7.700,-- heeft ontvangen ten laste van zijn basisstipendium, dat hij een bedrag van € 5.078,-- heeft ontvangen uit kunstverkoop en aan overige inkomsten een bedrag van € 1.123,--. Evenmin staan de op de inkomsten in mindering te brengen beroepskosten tot een bedrag van € 8.593,-- tussen partijen ter discussie.

4.6. Met betrekking tot de hier in geding zijnde vraag of de rechtbank met het College de inkomsten van appellant uit het basisstipendium tot een bedrag van € 7.700,-- terecht niet als inkomsten uit werkzaamheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWIK heeft aangemerkt, overweegt de Raad als volgt.

4.6.1. Met de rechtbank en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 april 2010, LJN BM1640, ziet de Raad voor de stelling van appellant dat bij de beoordeling van de progressie-eis in de WWIK aansluiting gezocht moet worden bij het fiscale inkomens-begrip in de zin van de Wet Inkomstenbelasting, geen steun in de wet of regelgeving.

4.6.2. Uit de gedingstukken ten aanzien van het basisstipendium leidt de Raad af dat de Stichting een basisstipendium, zoals hier aan de orde, kan toekennen aan een reeds gedurende langere tijd professioneel werkend kunstenaar, teneinde zijn artistieke ontwikkeling op velerlei wijzen te bevorderen. Het stipendium wordt als voorschot toegekend, behoudens 10% van de tegemoetkoming in de beroepskosten. Deze 10% wordt uitbetaald na goedkeuring van de door de kunstenaar na afloop van de subsidie-termijn te verstrekken inhoudelijke en financiële verantwoording. Tevens dient uit deze verantwoording opgemaakt te worden hoe de subsidie heeft bijgedragen aan de continuering van de beroepspraktijk van de kunstenaar.

4.6.3. De Commissie Basissubsidies, die de taak heeft de Stichting te adviseren over subsidieaanvragen, heeft, voorafgaand aan het toekennen van het stipendium aan appellant, een positief advies uitgebracht ten aanzien van het artistiek functioneren van appellant in die zin dat zijn functioneren van belang is geacht voor de breedte en diversiteit van de beeldende kunsten en/of vrije vormgeving in Nederland. Hierbij is het werk van appellant, zijn erkenning van het kunstenaarschap en zijn cultureel ondernemerschap in aanmerking genomen.

4.6.4. Voorts heeft een adviseur van Kunstenaars & Co, ter beoordeling van de door appellant ingediende aanvraag om een WWIK-uitkering, ten aanzien van de periode van maart 2005 tot en met februari 2006, onder meer gerapporteerd dat appellant is aangesloten bij de Beroepsvereniging voor Beeldende Kunstenaars, dat hij beschikt over een actueel en relevant netwerk en een goede marktpositie inneemt door zijn profilering, zijn netwerk en de erkenning daarbinnen. Deze erkenning blijkt ook uit bemiddeling van een aantal buitenlandse galeries.

4.6.5. Tot slot wijst de Raad in dit kader nog op de Memorie van Toelichting bij artikel 11 van de WWIK (Kamerstukken II 2003/04, 59 574, nr.3), waaruit is af te leiden dat bij de beoordeling of de kunstenaar voldoet aan de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWIK neergelegde progressie-eis, het totale bruto arbeidsinkomen van de kunstenaar en de eventuele echtgenoot meetelt en dat niet alleen, zoals tot 1 januari 2005 onder de Wik was bepaald, het inkomen of de omzet uit kunst van de kunstenaar in aanmerking werd genomen.

4.6.6. Gelet op de overwegingen onder 4.6 tot en met 4.6.5 is de Raad van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat tegenover het basisstipendium ten tijde in geding geen werkzaamheden van appellant stonden. Dat appellant het stipendium - binnen de doelstelling daarvan - naar eigen inzicht kon besteden, doet hieraan, naar het oordeel van de Raad, niet af.

4.6.7. Het voorgaande betekent dat het totaal bruto arbeidsinkomen van appellant in de periode van 1 augustus 2005 tot 1 augustus 2006 vastgesteld dient te worden op een bedrag, inclusief het stipendium, van € 13.901,-- waarop de beroepskosten van € 8.593,-- in mindering moeten worden gebracht. Met het resterende bedrag van € 5.308,-- is ruimschoots voldaan aan de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWIK neergelegde en op appellant van toepassing zijnde progressie-eis, eerste trede, van € 2.800,--. Dit inkomen staat in de weg aan de intrekking van de WWIK-uitkering van appellant per 1 maart 2006.

4.6.8. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het besluit van 3 juli 2007 niet berust op een deugdelijke motivering en daarom in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 3 juli 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.6.9. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 9 februari 2007 te herroepen. Nu deze herroeping plaatsvindt wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid, zal de Raad aan appellant een vergoeding toekennen voor de in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 9 februari 2007 gemaakte kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 644,--.

5. Tot slot ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 juli 2007;

Herroept het besluit van 9 februari 2007;

Veroordeelt het College in de kosten van het bezwaar van appellant tot een bedrag van € 644,-- en in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD