Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN2709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
09-5459 WWB-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Griffierecht is te laat betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5459 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 september 2009, 09/2470 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 2 maart 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van 2 maart 2010 heeft appellant verzet gedaan.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 mei 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 2 maart 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde recht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Vaststaat dat het verschuldigde griffierecht acht dagen te laat (namelijk op 31 december 2009) is betaald.

In het verzetschrift is aangevoerd dat appellant, nadat hem was gebleken dat het saldo op zijn girorekening ontoereikend was, de ABN AMRO-bank heeft verzocht het bedrag over te schrijven. Bij navraag bij de bank is appellant evenwel gebleken dat de overschrijving daar niet bekend was, waarna hij alsnog een opdracht tot overschrijving persoonlijk naar de bank heeft gebracht. Nadien heeft appellant van de bank vernomen dat de overschrijving had plaatsgevonden, maar dat het door de feestdagen wel langer kon duren. Appellant heeft aangevoerd dat hij de griffie van de Raad van het een en ander op de hoogte heeft gesteld.

De Raad ziet hierin geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bij de per aangetekende post verzonden brief van 26 november 2009 is appellant erop gewezen dat hij er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien het griffierecht niet binnen vier weken na dagtekening van die brief per kas is voldaan of per bank is overgemaakt, waarbij beslissend is uitsluitend de dag waarop het bedrag op de aangegeven bankrekening is bijgeschreven. De omstandigheid dat, zoals appellant stelt, de eerste opdracht tot overschrijving van het bedrag de ABN AMRO-bank niet heeft bereikt, komt voor zijn rekening en risico. Nu appellant, zoals hij in het verzetschrift heeft aangevoerd, ruimschoots voor de kerstdagen ervan op de hoogte was dat de overschrijving niet had plaatsgevonden, had hij op andere wijze ervoor kunnen zorgen, bijvoorbeeld door middel van een telefonische spoedopdracht of betaling per kas ter griffie van de Raad, dat het griffierecht tijdig was voldaan. De omstandigheid dat appellant, zoals aangevoerd, de griffie van de Raad heeft geïnformeerd dat hij de opdracht tot overschrijving persoonlijk naar de bank heeft gebracht en dat in verband met de feestdagen mogelijk sprake kan zijn van een vertraging in de uitvoering van de overschrijving, kan niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan appellant meent, kan de Raad bij een onverschoonbare overschrijding van deze termijn tot geen andere beslissing komen dan het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet schrijft immers - dwingend - voor dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.

Dit betekent dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.

Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.

Voor een veroordeling in de kosten van verzet ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) M. Mostert.

AV